|
Inhoud:
1. De waarde- en meerwaardeleer
1.1. Het maatschappelijk meerproduct
1.2. Waren, gebruikswaarde en ruilwaarde
1.3. De marxistische leer van de vervreemding
1.4. De waardewet
1.5. De bepaling van de ruilwaarde van de waren
1.6. Wat is maatschappelijk noodzakelijke arbeid?
1.7. Oorsprong en karakter van de meerwaarde
1.8. De geldigheid van de arbeidswaardeleer
2. Kapitaal en kapitalisme
2.1. Het kapitaal in de voorkapitalistische maatschappij
2.2. Oorsprong van de kapitalistische productiewijze
2.3. Oorsprong en definitie van het moderne proletariaat
2.4. Het fundamentele mechanisme van de kapitalistische economie
2.5. De groei van de organische samenstelling van het kapitaal
2.6. De concurrentie leidt tot concentratie en monopolievorming
2.7. De tendentiële daling van de gemiddelde winstvoet
2.8. De hoofdcontradictie van het kapitalistische systeem en de periodieke crises van de overproductie
3. Het neokapitalisme
3.1. De oorsprong van het neokapitalisme
3.2. De permanente technologische revolutie
3.3. De betekenis van de bewapeningsuitgaven
3.4. Het ‘afremmen’ van de crises en hun omzetting in recessies3.5. De tendens tot permanente inflatie
3.6. De ‘economische planning’
3.7. De staatsgarantie van de winst
Hoofdstuk
l
De waarde- en meerwaardeleer
Alle vooruitgang van de
beschaving wordt in laatste instantie bepaald door de groei van
de arbeidsproductiviteit. Zolang de productie van een groep
mensen maar net voldoende is om de producenten in leven te
houden en er geen overschot bestaat boven dit noodzakelijke
product, is er geen arbeidsdeling mogelijk, en is er geen plaats
voor handwerkslieden, kunstenaars of wetenschappers. A fortiori
is het dan onmogelijk technieken te ontwikkelen, die voor
dergelijke specialisaties vereist zijn.
1.1. Het maatschappelijk
meerproduct
Zolang de arbeidsproductiviteit
zo laag is, dat het arbeidsproduct van een mens slechts
toereikend is voor zijn eigen levensonderhoud, bestaat er ook
geen maatschappelijke arbeidsdeling, geen differentiatie binnen
de maatschappij. Alle mensen zijn dan producenten. Ze bevinden
zich allen in even ellendige omstandigheden. Iedere toename van
de arbeidsproductiviteit boven dit allerlaagste niveau schept de
mogelijkheid van een klein ‘surplus’ — een overschot.
Zodra er echter een surplus aan producten (een
goederenoverschot) ontstaat, zodra twee handen meer voortbrengen
dan voor hun eigen onderhoud noodzakelijk is, kan de
mogelijkheid ontstaan van een strijd om de verdeling van dit
surplus. Vanaf dat moment betekent de totale arbeid van een
gemeenschap niet meer noodzakelijk arbeid die uitsluitend
bestemd is voor het levensonderhoud van de producenten. Een deel
van deze arbeid kan er toe bestemd worden om een ander deel van
de maatschappij te bevrijden van deze noodzaak om voor eigen
onderhoud te werken.
Als deze mogelijkheid ontstaat,
kan een deel van de maatschappij zichzelf ontwikkelen tot
heersende klasse. Haar voornaamste kenmerk is, dat zij bevrijd
is van de noodzaak om voor eigen onderhoud te werken.
Vanaf dat moment valt de arbeid
van de producenten in twee gedeelten uiteen. Een deel van de
arbeid wordt nog steeds voor eigen onderhoud verricht — dit
noemen we de noodzakelijke arbeid. Een ander deel dient
voor het onderhoud van de heersende klasse — dit noemen we de meerarbeid.
Laten we een duidelijk
voorbeeld nemen: de slavenarbeid op de plantages in bepaalde
streken en bepaalde perioden van het Romeinse Rijk of op de
grote plantages die vanaf de zeventiende eeuw in West-Indië of
op de Portugees-Afrikaanse eilanden ontstonden. In het algemeen
verschaft in alle tropische streken de meester aan zijn slaven
niet eens hun voedsel; de slaaf moet dit zelf produceren door
‘s zondags op een klein stukje land de producten te winnen die
voor zijn voeding bestemd zijn. Zes dagen per week werkt de
slaaf op de plantage; dit is arbeid waarvan de producten hém
niet toevallen, die dus een maatschappelijk meerproduct creëert
waarvan hij afstand doet zodra het geproduceerd is. Het behoort
uitsluitend aan de slavenhouder.
De werkweek die hier uit zeven
dagen bestaat, valt dus uiteen in twee gedeelten: de arbeid van
één dag, de zondag, vormt de noodzakelijke arbeid; de slaaf
maakt op deze manier de producten voor zijn eigen onderhoud, om
zichzelf en zijn familie in leven te houden. De arbeid van zes
dagen per week vormt de meerarbeid, arbeid waarvan de producten
uitsluitend toevallen aan de meesters, die deze producten
gebruiken voor hun levensonderhoud en om hun rijkdom te
vergroten.
Een ander voorbeeld is dat van
de grote landgoederen van de hoge middeleeuwen. De landerijen
van deze domeinen kan men in drieën verdelen:
gemeenschapsgrond, het land dat gemeenschappelijk eigendom
blijft, d.w.z. bossen, weidegrond, drasland enz.; vervolgens de
landerijen waarop de lijfeigene werkt voor het onderhoud van
zichzelf en zijn gezin; en tenslotte de grond waarop de
lijfeigene werkt om de feodale heer te onderhouden. In het
algemeen telt de werkweek hier zes en geen zeven dagen. Zij valt
in twee gelijke delen uiteen: drie dagen per week bewerkt de
lijfeigene het land waarvan de producten hem toekomen en drie
dagen per week bewerkt hij het land van de feodale heer. Zonder
enige beloning verricht hij onbetaalde arbeid voor de heersende
klasse.
We kunnen het product van deze
verschillende soorten arbeid met verschillende begrippen definiëren.
Wanneer de producent noodzakelijke arbeid verricht, produceert
hij het noodzakelijke product. Wanneer hij meerarbeid
verricht, produceert hij een maatschappelijk meerproduct.
Het maatschappelijk meerproduct
is dus dat deel van de maatschappelijke productie, dat
vervaardigd wordt door de klasse der producenten, maar door de
heersende klasse, in welke vorm dan ook, wordt toegeëigend:
hetzij in de vorm van goederen in natura, hetzij in de vorm van
waren voor de verkoop, hetzij in de vorm van geld.
De meerwaarde is dus
niets anders dan de geldvorm van het maatschappelijk
meerproduct. Wanneer de heersende klasse zich het hierboven als
‘meerproduct’ aangeduide deel van de productie van een
maatschappij uitsluitend in de vorm van geld toeeigent, spreekt
men niet meer van meerproduct maar noemt men dit deel
‘meerwaarde’.
Dit is overigens niet meer dan
een eerste benadering van de definitie van de meerwaarde, die
wij in het vervolg opnieuw zullen onderzoeken. Wat is de
oorsprong van het maatschappelijk meerproduct? Het
maatschappelijk meerproduct is het product van de kosteloze
toe-eigening (dus toe-eigening in een ruil zonder tegenwaarde)
door de heersende klasse van een deel van de productie van de
producerende klasse. Als de slaaf twee dagen per week op de
plantage van de slavenhouder werkt en de eigenaar zich zonder
enige vergoeding meester maakt van het gehele product van deze
arbeid, is de oorsprong van dit maatschappelijk meerproduct de
kosteloze arbeid, de arbeid die zonder beloning door de slaaf
aan de slavenhouder wordt geleverd. Als de lijfeigene drie dagen
per week op het land van zijn heer werkt, dan ligt de oorsprong
van dit inkomen, van dit maatschappelijk meerproduct, wederom in
onbeloonde, kosteloze arbeid die door de lijfeigene wordt
geleverd.
We zullen nog zien, dat de
oorsprong van de kapitalistische meerwaarde d.w.z. van het
inkomen van de burgerlijke klasse in de kapitalistische
maatschappij precies hetzelfde is: nl. onbeloonde, kosteloze
arbeid, arbeid die door de proletariër, de loontrekker, zonder
tegenwaarde aan de kapitalist wordt geleverd.
1.2. Waren, gebruikswaarde
en ruilwaarde
Deze basisdefinities zijn de
instrumenten waarmee we in alle drie de delen van deze inleiding
zullen werken. We moeten er nog een paar aan toevoegen.
Normaal gesproken moet ieder
product van menselijke arbeid een nut hebben, het moet voorzien
in een menselijke behoefte. Men kan dus stellen dat ieder
product van menselijke arbeid een gebruikswaarde bezit.
De term ‘gebruikswaarde’ zal door mij overigens op twee
verschillende manieren worden gebruikt. Wij spreken van dé
gebruikswaarde van een waar, maar ook van gebruikswaarden, in de
zin van: in een bepaalde maatschappij worden slechts
gebruikswaarden geproduceerd, d.w.z. producten die bestemd zijn
voor de directe consumptie van hen die ze zich toe-eigenen
(producenten of heersende klasse).
Maar behalve deze
gebruikswaarde kan het product van menselijke arbeid nog een
andere waarde hebben, namelijk een ruilwaarde. Het
product kan ook geproduceerd worden, niet voor de directe
consumptie van de producenten of de bezittende klasse, maar om
op de markt geruild, verkocht te worden. De producten voor de
verkoop vormen geen productie van eenvoudige gebruikswaarden
meer, maar een productie van waren.
Een waar is dus een product dat
men niet creëert om het direct te verbruiken maar om op de
markt te kunnen ruilen. Iedere waar moet dus zowel een
gebruikswaarde als een ruilwaarde bezitten.
Zij moet een gebruikswaarde
hebben omdat anders niemand bereid zou zijn haar te kopen, daar
men een waar slechts koopt om haar uiteindelijk te kunnen
consumeren om door deze koop een of andere behoefte te
bevredigen. Als een waar voor niemand een gebruikswaarde bezit,
is zij onverkoopbaar, is zij onnodig geproduceerd. Zij heeft
geen ruilwaarde, juist omdat zij geen gebruikswaarde heeft.
Daarentegen heeft niet ieder
product dat een gebruikswaarde bezit, noodzakelijk ook een
ruilwaarde. In de eerste plaats heeft het slechts een ruilwaarde
voor zover het wordt geproduceerd in een maatschappij die op
ruil gebaseerd is, een maatschappij waarin de ruil algemeen
beoefend wordt.
Bestaan er maatschappijen
waarin de producten geen ruilwaarde hebben? Voorwaarde voor de
ruilwaarde en a fortiori voor de handel en de markt is een
bepaalde ontwikkelingsgraad van de arbeidsdeling. Willen de
producten niet onmiddellijk door de producenten worden
geconsumeerd, dan is het noodzakelijk dat niet ieder hetzelfde
produceert. Wanneer in een bepaalde gemeenschap geen of slechts
een uiterst rudimentaire arbeidsdeling bestaat, is er duidelijk
geen reden waarom de ruil zou ontstaan. Normaal gesproken heeft
een graanverbouwer niets wat hij met een andere graanverbouwer
zou kunnen ruilen. Maar zodra er arbeidsdeling heerst en er
contact bestaat tussen maatschappelijke groepen die producten
produceren met een verschillende gebruikswaarde, kunnen
ruilverhoudingen ontstaan, die, aanvankelijk incidenteel, later
algemeen worden. Naast de producten die door hun producenten
alleen voor de consumptie geproduceerd worden, komen er dan
langzamerhand andere producten, die worden gemaakt om geruild te
worden, waren.
In de kapitalistische
maatschappij heeft de warenproductie, de productie van
ruilwaarden, haar grootste verbreiding gevonden. Het is de
eerste maatschappij in de geschiedenis van de mensheid, waarin
het grootste deel van de productie uit waren bestaat.
Toch kan men niet zeggen, dat
de hele productie in de kapitalistische maatschappij uit
warenproductie bestaat. Er zijn twee categorieën producten, die
eenvoudige gebruikswaarden blijven.
In de eerste plaats alles wat
de boeren produceren voor hun eigen verbruik en wat onmiddellijk
op de boerderijen die deze producten voortbrengen, geconsumeerd
wordt. Men vindt deze productie voor eigen verbruik van de
boeren zelfs nog in de hoogst ontwikkelde kapitalistische
landen, zoals in de VS, maar zij vormt daar niet meer dan een
klein gedeelte van de totale landbouwproductie. Hoe achterlijker
de landbouw van een land is, des te groter is in het algemeen
het deel van de landbouwproductie dat voor eigen verbruik is
bestemd.
Dit is een grote moeilijkheid
als men het nationaal inkomen van dergelijke landen nauwkeurig
wil berekenen.
Een tweede categorie producten,
die nog eenvoudige gebruikswaarden en geen waren van
kapitalistisch karakter zijn, wordt gevormd door alles wat in
het huishouden wordt gemaakt. Hoewel daaraan veel menselijke
arbeid moet worden besteed, brengt deze gehele productie slechts
gebruikswaarden voort en vormt geen productie van waren. Wanneer
men soep klaarmaakt of knopen aannaait, produceert men wel, maar
niet voor de markt.
Het ontstaan en later de
regulering en veralgemening van de warenproductie heeft een
radicale verandering teweeggebracht in de manier waarop de
mensen werken en de maatschappij organiseren.
1.3. De marxistische leer
van de vervreemding
Ongetwijfeld heeft u wel eens
van de marxistische vervreemdingstheorie gehoord. Ontstaan,
regulering en veralgemening van de warenproductie zijn nauw
verbonden met de uitbreiding van dit vervreemdingsverschijnsel.
Op dit aspect van het vraagstuk
kan hier niet uitvoerig worden ingegaan. Maar toch is het
belangrijk dit probleem te begrijpen, want de op warenproductie
berustende maatschappij omvat niet alleen het tijdperk van het
kapitalisme, maar ook dat van de eenvoudige
warenproductie. En er bestaat ook een postkapitalistische
maatschappij die nog op warenproductie berust — de
overgangsmaatschappij tussen kapitalisme en socialisme — de
sovjetmaatschappij van thans, een maatschappij die nog
grotendeels op de productie van ruilwaarden berust.
Wanneer men enkele fundamentele
kenmerken van de warenmaatschappij begrijpt, ziet men ook in
waarom bepaalde vervreemdingsverschijnselen niet overwonnen
kunnen worden in de overgangstijd van kapitalisme naar
socialisme, bijvoorbeeld in de huidige sovjetmaatschappij.
Maar het is duidelijk dat dit
vervreemdingsverschijnsel niet voorkomt — althans niet in deze
vorm — in een maatschappij die geen warenproductie meer kent,
waar een elementaire eenheid bestaat tussen individueel leven en
maatschappelijke activiteit. De mens werkt, en in het algemeen
werkt hij niet afzonderlijk, maar in een collectief geheel van
een min of meer organische structuur. Deze arbeid bestaat uit
een directe omvorming van materiële dingen. Dat wil zeggen, dat
de activiteit van de arbeid, de activiteit van de productie en
de consumptie, en de verhoudingen tussen individu en
maatschappij geregeld zijn door een zeker, min of meer duurzaam
evenwicht.
Natuurlijk hoeft men de
primitieve maatschappij niet mooier voor te stellen dan zij is,
want vanwege haar extreme armoede staat zij voortdurend bloot
aan alle mogelijke vormen van dwang, en aan periodieke
catastrofen. Het evenwicht dreigt ieder ogenblik verstoord te
worden door schaarste, ellende, natuurrampen enz. Maar in de
perioden tussen deze catastrofen bestaat er, vanaf een bepaalde
ontwikkelingsfase in de landbouw en onder gunstige
klimatologische omstandigheden, een zekere eenheid, een zekere
harmonie en evenwicht tussen bijna alle menselijke activiteiten.
Noodlottige gevolgen van de
arbeidsdeling zoals de volledige scheiding tussen esthetische
activiteiten, artistiek elan, creatieve ambitie, en de
productieve, zich louter mechanisch herhalende activiteiten,
komen in de primitieve maatschappij helemaal niet voor.
Integendeel, de meeste kunsten, muziek en beeldhouwkunst
evengoed als schilderkunst en dans, zijn oorspronkelijk met de
productie, de arbeid verbonden. Het verlangen om de producten,
die men individueel, in gezinsverband of ook in een grotere
verwantschapsgroep consumeerde, een aangename fraaie vorm te
geven, was normaal, harmonisch en organisch in de dagelijkse
arbeid geïntegreerd.
De arbeid werd niet ervaren als
een van buitenaf opgelegde verplichting, vooral niet omdat deze
activiteit veel minder inspannend en uitputtend was dan de
arbeid in de huidige kapitalistische maatschappij. Zij was
namelijk beter afgestemd op het eigen ritme van het menselijk
organisme en op het ritme van de natuur. Het aantal werkdagen
bedroeg zelden meer dan honderdvijftig of tweehonderd per jaar,
terwijl men in de kapitalistische maatschappij gevaarlijk dicht
de driehonderd nadert of dit getal zelfs overschrijdt. Bovendien
bestond er een eenheid tussen producent, product en consumptie.
De producent produceerde in het algemeen slechts voor zijn eigen
verbruik of voor dat van zijn verwanten. De arbeid behield
daardoor een direct functioneel aspect. De moderne vervreemding
ontstaat met name uit de scheiding van de producent van zijn
product, die het gevolg is van de arbeidsdeling en de
warenproductie. De producent werkt voor de markt, voor een
onbekende consument en niet voor eigen consumptie.
De keerzijde van de medaille
is, dat een maatschappij die slechts gebruikswaarden
voortbrengt, en slechts goederen voor de directe consumptie van
haar producenten produceert, in het verleden altijd een
uitermate arme maatschappij is geweest. Een dergelijke
maatschappij is niet alleen de speelbal van de wisselvalligheid
van de natuurkrachten, maar zij beperkt ook de menselijke
behoeften tot een minimum; zij is immers arm, en beschikt
slechts over een beperkt scala van producten. De menselijke
behoeften zijn slechts zeer gedeeltelijk aangeboren aan de mens.
Er bestaat een voortdurende wisselwerking tussen productie en
behoeften, tussen ontwikkeling van de productiekrachten en het
ontstaan van nieuwe behoeften. Slechts in een maatschappij, die
de arbeidsproductiviteit maximaal ontwikkelt en een onbegrensd
scala van producten voortbrengt, kan ook de mens een
voortdurende ontwikkeling kennen van zijn behoeften en al zijn
oneindige mogelijkheden, een volledige ontwikkeling van zijn
menselijkheid.
1.4. De waardewet
Een van de gevolgen van het
ontstaan en de toenemende veralgemening van de warenproductie
is, dat de arbeid zelf regelmatig begint te worden, tot iets dat
gemeten kan worden, dat wil zeggen dat de arbeid niet langer een
activiteit is, die geïntegreerd is in het ritme van de natuur
en afgestemd is op het specifiek menselijk fysiologisch ritme.
Tot in de negentiende eeuw en
misschien zelfs tot in de twintigste eeuw werkten de boeren in
bepaalde streken van West-Europa niet regelmatig, niet iedere
maand met dezelfde intensiteit. In enkele perioden van het
werkjaar verrichten zij buitengewoon intensieve arbeid. Maar
daarnaast bestaan er ook grote pauzes in hun activiteit, met
name ‘s winters. Toen de kapitalistische maatschappij zich
begon te ontwikkelen, vond ze in de meest achtergebleven delen
van de landbouw van de meeste kapitalistische landen een
bijzonder lonend reservoir aan arbeidskrachten. Deze
arbeidskrachten, die slechts vier of zes maanden per jaar in de
fabriek werkten, konden voor een veel lager loon werken, omdat
in een deel van hun levensonderhoud werd voorzien door hun
landbouwbedrijf, dat bleef bestaan.
Wanneer men meer ontwikkelde en
welvarender boerderijen bekijkt, bijvoorbeeld rondom grote
steden, boerderijen die eigenlijk bezig zijn te
industrialiseren, vindt men een arbeid die veel regelmatiger en
ook veel intensiever is, het hele jaar door regelmatig verricht
wordt, zodat de ‘dode tijd’ steeds meer wordt opgeheven. Dat
is niet alleen in onze tijd zo, dat gold reeds in de
middeleeuwen, vanaf de twaalfde eeuw ongeveer. Hoe dichter men
bij de stad, dat wil zeggen bij de markt kwam, hoe meer de
arbeid van de boer een arbeid voor de markt, dus een
warenproductie werd, en hoe meer zijn arbeid een geregeld
karakter kreeg. Zij werd min of meer permanent, vergelijkbaar
met de arbeid in een industriebedrijf.
Anders uitgedrukt: hoe
algemener de warenproductie, hoe geregelder de arbeid en hoe
meer ook de maatschappij georganiseerd wordt rond een op de
arbeid gebaseerde boekhouding.
Wanneer men de reeds vrij
vergevorderde arbeidsdeling van een gemeente in het begin van de
ontwikkeling van de handel en het handwerk in de middeleeuwen
onderzoekt, of gemeenschappen in de Byzantijnse, Arabische,
Hindoestaanse, Chinese of Japanse samenleving, constateert men
telkens weer verbaasd hoe verregaand landbouw en de diverse
handwerkstechnieken geïntegreerd zijn. Men staat verbaasd over
de regelmatigheid van de arbeid, zowel op het platteland als in
de stad, waardoor de berekenbaarheid van de arbeid, de
boekhouding in arbeidsuren, de motor wordt die de gehele
activiteit en zelfs de structuur van deze gemeenschappen regelt.
In het hoofdstuk over de waardewet in mijn Traité d’économie
marxiste heb ik een hele reeks voorbeelden aangehaald van
deze boekhouding in arbeidsuren. In bepaalde Indiase dorpen
monopoliseert een bepaalde kaste de functie van smid, maar
blijft tegelijk het land bewerken om zijn eigen voedsel te
produceren. De volgende regel is daarbij ingevoerd: als de smid
een werkgereedschap of een wapen voor een boerderij maakt,
levert deze hem de grondstof, en gedurende de tijd dat de smid
daaraan werkt, werkt de boer voor wie hij dit werktuig maakt op
het land van de smid. Dat wil zeggen dat er een gelijkwaardigheid
in arbeidsuren bestaat, die de ruil op heel
doorzichtige wijze bepaalt.
In de Japanse dorpen van de
middeleeuwen bestaat er in de dorpsgemeenschap in de letterlijke
zin des woords een boekhouding in arbeidsuren. De
dorpsboekhouder houdt een soort grootboek bij, waarin hij
noteert hoeveel arbeidsuren de verschillende dorpsbewoners op
elkaars velden verrichten. De landbouwproductie berust daar
namelijk nog grotendeels op coöperatie: de oogst, het bouwen
van boerderijen, en de veeteelt worden gemeenschappelijk gedaan.
Uiterst nauwkeurig telt men het aantal werkuren, die de leden
van de ene huisgemeenschap leveren voor de leden van een andere
huisgemeenschap. Aan het einde van het jaar moet er een
evenwicht zijn, dat wil zeggen de leden van huisgemeenschap B
moeten voor huisgemeenschap A precies evenveel werkuren verricht
hebben, als de leden van huisgemeenschap A in hetzelfde jaar
hebben verricht voor de leden van huisgemeenschap B. De
Japanners hebben deze methode — bijna duizend jaar geleden —
zo zeer verfijnd, dat zij er zelfs rekening mee hielden dat
kinderen een kleinere hoeveelheid arbeid leveren dan
volwassenen. Een arbeidsuur van een kind was derhalve maar de
helft van een ‘volwassen’ arbeidsuur ‘waard’. Op deze
manier ontstond een heel boekhoudsysteem.
Een ander voorbeeld stelt ons
in staat om de veralgemening van deze boekhouding, die op de
economie van de arbeidstijd berust, direct te begrijpen:
namelijk de omzetting van de feodale grondrente. In een feodale
maatschappij kan het agrarisch meerproduct drie vormen aannemen:
rente in de vorm van arbeid of herendienst, rente in
natura, of rente in geld.
Toen men van herendienst op
rente in natura overging, voltrok zich klaarblijkelijk een
verandering. In plaats van drie dagen per week voor de feodale
heer te werken, gaf de boer hem voortaan per oogstseizoen een
bepaalde hoeveelheid tarwe of levend vee enz. Een tweede
verandering voltrok zich, toen men van rente in natura overging
op rente in de vorm van geld.
Deze twee veranderingen moesten
op een tamelijk nauwkeurige boekhouding in arbeidsuren berusten,
wilde niet een van de partijen direct schade lijden bij deze
handelwijze. Als er ten tijde van de eerste verandering, wanneer
de boer dus in plaats van honderdvijftig dagen per jaar voor de
feodale heer te werken een hoeveelheid tarwe geeft, er in
werkelijkheid slechts vijfenzeventig dagen nodig zouden zijn om
deze hoeveelheid te produceren, dan zou de verandering van
herendienst in belasting in natura leiden tot een plotselinge
verarming van de feodale eigenaar en een zeer snelle verrijking
van de lijfeigenen.
De grondbezitters — dat kan
men hun wel toevertrouwen — zagen er ten tijde van deze
veranderingen nauwkeurig op toe, dat de verschillende vormen van
de rente dezelfde waarde hadden. De verandering kon uiteindelijk
toch nog nadelig uitwerken voor een betrokken klasse.
Bijvoorbeeld voor de
grondbezitter, wanneer er plotseling een stijging van de
landbouwprijzen optrad, nadat de belasting in natura was omgezet
in een belasting in geld. Maar dat was dan het resultaat van een
langdurig historisch proces en niet van de omzetting zelf.
De oorsprong van deze economie,
die op een boekhouding in arbeidstijd berustte, komt voorts
duidelijk tot uiting in de arbeidsdeling tussen landbouw en
handwerk binnen het dorp. Lange tijd blijft deze arbeidsdeling
tamelijk rudimentair. Nog zeer lang blijft een deel van de
boeren bepaalde kleren zelf vervaardigen. Deze tijd liep in
West-Europa vanaf de opkomst van de middeleeuwse steden tot in
de negentiende eeuw, dus bijna duizend jaar. Wat tevens inhoudt
dat de techniek van het kleermaken voor de landbouwer weinig
geheimen kende. Zodra echter regelmatige ruilverhoudingen tot
stand komen tussen landbouwers en handwerkslieden die textiel
vervaardigen, ontstaan eveneens regelmatige equivalenties
(gelijkwaardigheden). Zo ruilt men bijvoorbeeld één el linnen
tegen tien pond boter en niet tegen honderd pond. Het is dus
duidelijk dat de boeren op grond van eigen ervaring de
arbeidstijd kennen die ongeveer noodzakelijk is om een bepaalde
hoeveelheid stof te vervaardigen.
Er zou onmiddellijk een
wijziging in de arbeidsdeling optreden als er geen min of meer
nauwkeurige equivalentie bestond voor de arbeidstijd, die nodig
is om de hoeveelheid stof te vervaardigen, die tegen een
bepaalde hoeveelheid boter geruild wordt. Wanneer het voor de
producent lonender zou zijn om stof te vervaardigen dan boter,
dan zou hij onmiddellijk van productie veranderen. Wat mogelijk
is omdat bij de overgang naar een radicale arbeidsdeling de
grenzen tussen de verschillende technieken nog vloeiend zijn, en
men nog gemakkelijk van de ene economische activiteit naar de
andere kon overspringen, zeker wanneer dat duidelijke materiële
voordelen met zich meebracht.
In de middeleeuwse stad bestond
er overigens een zeer kundig berekend evenwicht tussen de
verschillende ambachten, dat in verdragen was neergelegd. De
arbeidstijd die besteed werd aan de productie van de
verschillende producten, was daarin haast tot op de minuut
nauwkeurig vastgelegd. Onder deze voorwaarden was het
onbestaanbaar, dat een schoenmaker of een smid dezelfde geldsom
zou kunnen krijgen voor een product dat maar de helft van de
arbeidstijd had gekost, die een wever of andere ambachtsman
nodig zou hebben om in ruil voor zijn producten dezelfde som te
krijgen.
Ook hier kunnen we het
mechanisme van deze boekhouding in arbeidsuren heel goed zien:
het functioneren van deze maatschappij op de grondslag van een
economie van de arbeidstijd. Dit is een algemeen kenmerk van
heel deze fase die men de eenvoudige warenproductie
noemt. Zij vormt de schakel tussen een economie van goederen in
natura, waarin slechts gebruikswaarden worden geproduceerd, en
de kapitalistische maatschappij, waarin de productie van waren
een onbeperkte uitbreiding bereikt.
1.5. De bepaling van de
ruilwaarde van de waren
Wanneer men ziet dat de
productie en de ruil van waren ontstonden en zich uitbreidden in
een maatschappij die op een economie van de arbeidstijd en een
boekhouding in arbeidsuren was gebaseerd, begrijpt men waarom de
warenruil, op grond van haar oorsprong en eigen karakter op
dezelfde boekhouding in arbeidsuren berust. De algemene regel
die daaruit voortvloeit luidt daarom:
De ruilwaarde van een waar
wordt bepaald door de hoeveelheid arbeid die noodzakelijk is om
haar te produceren, waarbij deze hoeveelheid arbeid gemeten
wordt aan de duur van de arbeidstijd waarin de waar geproduceerd
is.
Er moeten enkele nadere
preciseringen aan deze algemene definitie, die de grondslag is
van de arbeidswaardeleer, worden toegevoegd. Zij was zowel het
uitgangspunt van de klassieke burgerlijke politieke economie
tussen de zeventiende en het begin van de negentiende eeuw, van
William Petty tot Ricardo, als ook van de marxistische
economische theorie, die deze arbeidswaardeleer heeft uitgewerkt
en vervolmaakt.
Eerste precisering: De mensen
bezitten geen gelijk arbeidsvermogen, bezitten niet allemaal
dezelfde energie, en ze zijn niet allemaal even vakbekwaam. Als
de ruilwaarde van de waren alleen zou afhangen van de
hoeveelheid arbeid, die individueel, dus feitelijk door
ieder willekeurig individu besteed wordt om
een waar te produceren, zou men in een absurde situatie
terechtkomen: hoe trager of onbekwamer een producent zou zijn,
hoe meer uren hij nodig zou hebben om een paar schoenen te
maken, des te groter zou de waarde van deze schoenen zijn! Dat
is natuurlijk onmogelijk. De ruilwaarde is geen beloning voor
het feit dat men zo goed geweest is te hebben willen werken!
Veeleer vormt zij een objectieve band tussen
onafhankelijke producenten, om in een maatschappij die
zowel op arbeidsdeling als op de economie van de arbeidstijd
berust, de gelijkheid tussen alle beroepen tot stand te brengen.
In zo’n maatschappij kan verspilling van de arbeid niet
beloond worden, maar wordt integendeel automatisch bestraft. Wie
meer arbeidsuren gebruikt om een paar schoenen te maken dan
gemiddeld noodzakelijk is — waarbij dit noodzakelijk
gemiddelde door de gemiddelde arbeidsproductiviteit bepaald
wordt, zoals die bijvoorbeeld in de ‘Chartes des Métiers’ [1]
neergelegd is — heeft dus menselijke arbeid verspild. Hij
heeft een aantal van deze arbeidsuren voor niets gewerkt. En in
ruil voor deze verspilde uren krijgt hij helemaal niets terug.
Met andere woorden: de
ruilwaarde van een waar wordt niet bepaald door de hoeveelheid
arbeid, die door iedere individuele producent aan de productie
ervan wordt besteed, maar door de hoeveelheid arbeid, die maatschappelijk
noodzakelijk is om haar te produceren. De formule
‘maatschappelijk noodzakelijk’ wil zeggen: de hoeveelheid
arbeid die onder de gemiddelde voorwaarden van de
arbeidsproductiviteit in een bepaalde periode in een bepaald
land noodzakelijk is.
Deze precisering heeft
overigens zeer belangrijke praktische consequenties, wanneer men
het functioneren van de kapitalistische maatschappij nader
onderzoekt.
Maar er is nog een tweede
precisering nodig. Wat betekent de term ‘hoeveelheid arbeid’
precies? Er zijn arbeiders met verschillende kwalificaties.
Bestaat er een volledige gelijkwaardigheid van de arbeidsuren
van iedereen, onafhankelijk van zijn kwalificatie? Nogmaals, het
gaat hier geenszins om een morele kwestie, maar uitsluitend om
de immanente logica van een maatschappij, die op de gelijkheid
tussen de beroepen en de gelijkheid op de markt gebaseerd is, en
waarin ongelijke voorwaarden het maatschappelijk evenwicht
onmiddellijk zouden verbreken.
Wat zou er bijvoorbeeld
gebeuren wanneer het arbeidsuur van een handarbeider niet
minder, maar méér waarde zou produceren dan het arbeidsuur van
een gekwalificeerde arbeider, die een vier- of zesjarige
opleiding nodig gehad heeft om zijn kwalificatie te verwerven?
Natuurlijk zou niemand zich meer laten opleiden. De arbeidsuren
die besteed worden om de kwalificatie te verwerven, zouden
totaal voor niets besteed zijn, in ruil waarvoor de leerling,
eenmaal gekwalificeerd arbeider geworden, geen tegenwaarde meer
zou krijgen.
Om te bereiken dat jonge mensen
zich in een economie, die op de boekhouding in arbeidsuren
berust, voor een vak willen laten opleiden, moet de tijd die zij
verloren hebben om hun kwalificatie te verkrijgen, worden
beloond, en moeten zij in ruil voor deze tijd een tegenwaarde
krijgen. Onze definitie van de ruilwaarde van een waar moet dus
als volgt worden aangevuld: ‘Het arbeidsuur van een
gekwalificeerde arbeider moet als complexe, als samengestelde
arbeid worden beschouwd, als een veelvoud van het arbeidsuur van
een handarbeider, waarbij de vermenigvuldigingscoëfficiënt
natuurlijk niet willekeurig is, maar eenvoudig gebaseerd is op
de verwervingskosten van de kwalificatie.’
Terloops zij opgemerkt dat er
tijdens de stalinistische periode in de Sovjet-Unie altijd een
kleine onduidelijkheid bestaan heeft in de interpretatie van de
samengestelde arbeid, welke tot op de dag van vandaag nog niet
is opgehelderd. Men zegt in de Sovjet-Unie altijd dat de
beloning van de arbeid zich moet richten naar de kwantiteit en
de kwaliteit van de geleverde arbeid. Maar het begrip
kwaliteit wordt niet meer opgevat in de marxistische betekenis
van het woord, dat wil zeggen als een met een bepaalde
vermenigvuldigingscoëfficiënt kwantitatief meetbare
kwaliteit. Het begrip wordt integendeel in een
burgerij-ideologische zin gebruikt: de kwaliteit van de arbeid
wordt zogenaamd bepaald door haar maatschappelijke nuttigheid.
Op deze wijze rechtvaardigt men dat een maarschalk, een
ballerina of de directeur van een trust een inkomen genieten dat
tienmaal zo hoog is als dat van een handarbeider.
Dat is niets anders dan een
apologetische theorie om de zeer grote ongelijkheid in de
beloning te rechtvaardigen, die in de stalinistische periode
bestond en die, zij het in mindere mate, in de Sovjet-Unie nog
altijd bestaat.
De ruilwaarde van een waar
wordt dus bepaald door de hoeveelheid arbeid, die
maatschappelijk noodzakelijk is om haar te produceren. De
gekwalificeerde arbeid wordt als een veelvoud van de eenvoudige
arbeid beschouwd, vermenigvuldigd met een min of meer meetbare
coëfficiënt.
Dat is de kern van de
marxistische waardeleer. Zij vormt de grondslag van de
marxistische economische theorie in het algemeen. Evenzo vormt
de eerder behandelde theorie van het maatschappelijk meerproduct
en de meerarbeid de grondslag van de marxistische sociologie.
Zij is de brug tussen de sociologische en historische analyse
van Marx, zijn klassentheorie en zijn theorie van de
ontwikkeling van de maatschappij in het algemeen enerzijds, en
de marxistische economische theorie of — juister gezegd — de
analyse van de voorkapitalistische, kapitalistische en
postkapitalistische warenmaatschappij anderzijds.
1.6. Wat is maatschappelijk
noodzakelijke arbeid?
We zagen reeds, dat de
bijzondere definitie van de hoeveelheid arbeid, die maatschappelijk
noodzakelijk is om een waar te produceren, een heel bijzondere
en uiterst belangrijke praktische consequentie voor de analyse
van de kapitalistische maatschappij heeft. Het is, geloof ik,
beter dit probleem hier te behandelen, hoewel het logisch
thuishoort in het tweede deel.
Het totaal van alle waren in
een land in een bepaalde periode wordt geproduceerd om de
behoeften van het totaal van alle leden van deze maatschappij te
bevredigen. Want een waar die in niemands behoefte zou voorzien
en voor niemand gebruikswaarde zou hebben, zou bij voorbaat
onverkoopbaar zijn en geen ruilwaarde hebben. Zij zou geen waar
meer zijn, maar eenvoudig het product van de gril, het
belangeloze spel van een producent. Bovendien moet de som van de
koopkracht in deze bepaalde maatschappij op een bepaald moment
op de markt worden uitgegeven, zij mag dus niet worden opgepot;
wil er een economisch evenwicht bestaan, dan moet de koopkracht
bestemd worden om de som van deze geproduceerde waren te kopen.
Dit evenwicht impliceert dus dat het totaal van de
maatschappelijke productie, de som van de productiekrachten en
de arbeidsuren waarover deze maatschappij beschikt, over de
verschillende industrietakken verdeeld wordt evenredig aan de
wijze waarop de consumenten hun koopkracht over hun
verschillende betaalbare behoeften verdelen. Wanneer de
verdeling van de productiekrachten niet meer met deze verdeling
van behoeften overeenstemt, is het economisch evenwicht
verbroken, en treden naast elkaar overproductie en
onderproductie op.
Laten we een wat banaal
voorbeeld nemen: tegen het einde van de negentiende eeuw en in
het begin van de twintigste bestond in een stad als Parijs een
uitgebreide rijtuigindustrie, en de productie van diverse
goederen die met het vervoer met paardenspannen samenhingen.
Duizenden, zoniet tienduizenden arbeiders vonden daarin werk.
Tegelijkertijd ontstaat de
auto-industrie, die aanvankelijk nog maar een zeer bescheiden
omvang heeft. Maar zij verschaft reeds werk aan tientallen
instructeurs en een paar duizend arbeiders.
Wat gebeurt er nu in deze tijd?
Het gebruik van paardetractie begint af te nemen en het aantal
auto’s neemt toe. Er is dus enerzijds de productie voor het
vervoer met paardenspan, die tendeert naar een overschrijding
van de maatschappelijke behoeften — dat wil zeggen van de
wijze waarop de Parijse bevolking haar koopkracht verdeelt; en
er is anderzijds de autoproductie, die achterblijft bij de
maatschappelijke behoeften. Vanaf haar ontstaan tot aan de
invoering van serieproductie bevond de auto-industrie zich in
een klimaat van schaarste: er waren minder auto’s dan er vraag
was op de markt.
Hoe kan men deze verschijnselen
uitdrukken in termen van de arbeidswaardeleer?
Men kan het zo formuleren dat
in de sector van de rijtuigindustrie meer arbeid werd
besteed dan maatschappelijk noodzakelijk was. Een deel van
de arbeid, die in de totale rijtuigindustrie geleverd werd, was
maatschappelijk verspilde arbeid. Zij vond geen tegenwaarde meer
op de markt, produceerde dus onverkoopbare waren.
Wanneer in de kapitalistische
maatschappij waren onverkoopbaar zijn, betekent dat, dat men in
een bepaalde industrietak menselijke arbeid geïnvesteerd heeft,
die geen maatschappelijk noodzakelijke arbeid blijkt te zijn,
waarvoor dus als tegenwaarde geen koopkracht op de markt
bestaat. Maatschappelijk niet noodzakelijke arbeid is verspilde
arbeid die geen waarde voortbrengt. We zien dus dat het begrip
maatschappelijk noodzakelijke arbeid een hele reeks
verschijnselen omvat.
Voor de producten van de
rijtuigindustrie overtreft het aanbod de vraag, de prijzen dalen
en de waren blijven onverkoopbaar. In de auto-industrie
daarentegen overtreft de vraag het aanbod. Daarom stijgen de
prijzen en is er sprake van onderproductie. Als men zich met
deze banaliteiten over vraag en aanbod tevreden zou stellen, zou
men blijven staan bij het psychologische en individuele aspect
van het vraagstuk, maar als men het collectieve en
maatschappelijke aspect onderzoekt, begrijpt men wat zich in een
maatschappij, die op de grondslag van de arbeidstijdeconomie
georganiseerd is, achter deze oppervlakkige verschijnselen
verbergt. Als het aanbod de vraag overtreft betekent dat, dat de
kapitalistische productie, die een anarchistische, niet
geplande, niet georganiseerde productiewijze is, meer
arbeidsuren in een industrietak geïnvesteerd, uitgegeven heeft
dan maatschappelijk noodzakelijk was, en dat ze dus een reeks
arbeidsuren voor niets geleverd heeft. Zij heeft derhalve
menselijke arbeid verspild, en deze verspilde menselijke arbeid
wordt door de maatschappij niet beloond. Omgekeerd krijgt een
industrietak waarvoor de vraag het aanbod overtreft, en die in
verhouding tot de maatschappelijke behoeften als het ware nog
onderontwikkeld is en minder arbeidsuren besteedt dan
maatschappelijk noodzakelijk is, van de maatschappij een premie
om zijn productie op te voeren en met de maatschappelijke
behoeften in evenwicht te brengen.
Dit is één aspect van het
probleem van de maatschappelijke arbeid in het kapitalistische
systeem. Het andere is nauwer verbonden met de ontwikkeling van
de arbeidsproductiviteit. Het is hetzelfde, maar geabstraheerd
van de maatschappelijke behoeften en van het
‘gebruikswaarde’-aspect van de productie.
In het kapitalistische systeem
is de arbeidsproductiviteit voortdurend in beweging. Er zijn
grof gezegd drie soorten ondernemingen (of industrietakken): die
welke technologisch in overeenstemming zijn met het
maatschappelijk gemiddelde; die welke achterlijk en verouderd
zijn, in ontwikkelingstempo achterblijven en beneden het
maatschappelijk gemiddelde liggen; en ondernemingen die
technologisch aan de top staan en een meer dan gemiddelde
productiviteit bezitten.
Wat wil dat zeggen: een bedrijf
of een industrietak die technologisch achtergebleven is, waarvan
de arbeidsproductiviteit beneden de gemiddelde
arbeidsproductiviteit ligt? U kunt zich dat voorstellen aan de
hand van het eerder aangehaalde voorbeeld van de luie
schoenmaker. We hebben dus te maken met een industrietak of een
bedrijf, dat in plaats van een bepaalde hoeveelheid waren in
drie arbeidsuren te produceren, zoals het maatschappelijk
productiviteitsgemiddelde op dat moment vereist, hiervoor vijf
arbeidsuren nodig heeft. De twee aanvullende arbeidsuren zijn
voor niets besteed. Zij zijn verspilde maatschappelijke arbeid,
verspilling van een deel van de totale arbeid die de
maatschappij tot haar beschikking heeft. En in ruil voor deze
verspilde arbeid zal dit bedrijf geen enkele tegenwaarde van de
maatschappij krijgen. Dit betekent dus dat de verkoopprijs van
deze industrie of onderneming, die onder het
productiviteitsgemiddelde werkt, de kostprijs benadert of zelfs
beneden de kostprijs daalt. Zij werkt dus met een zeer kleine
winstvoet of zelfs met verlies.
Het omgekeerde geldt voor een
bedrijf of industrietak waarvan het productiviteitsniveau boven
het gemiddelde ligt (overeenkomstig de schoenmaker die twee paar
schoenen in drie uur kan maken, terwijl het maatschappelijk
gemiddelde één paar per drie uur bedraagt). Deze onderneming
of industrietak bespaart maatschappelijke arbeid en zal daarvoor
een meerwinst krijgen. Het verschil tussen verkoopprijs en
kostprijs zal bij haar boven de gemiddelde winst liggen.
Het streven naar deze meerwinst
is natuurlijk de motor van de hele kapitalistische economie.
Iedere kapitalistische onderneming wordt door de concurrentie
gedwongen te streven naar vergroting van de winst, want alleen
onder deze voorwaarden kan zij haar technologie en
arbeidsproductiviteit constant blijven verbeteren. Alle
firma’s worden dus deze kant opgedreven, wat impliceert dat
een productiviteit die aanvankelijk boven het gemiddelde lag,
tenslotte weer gemiddelde productiviteit wordt. In dat geval
verdwijnt de meerwinst. De hele strategie van de kapitalistische
industrie komt voort uit dit verlangen van iedere onderneming om
in een bepaald land een meer dan gemiddelde productiviteit te
bereiken, om een meerwinst te kunnen behalen. Dit brengt weer
een beweging op gang, die de meerwinst doet verdwijnen door de
tendens tot voortdurende stijging van de gemiddelde
arbeidsproductiviteit. Op deze wijze komt men tot de tendentiële
nivellering van de winstvoet.
1.7. Oorsprong en karakter
van de meerwaarde
Wat is meerwaarde? Vanuit het
standpunt van de marxistische waardeleer kan men deze vraag nu
als volgt beantwoorden. De meerwaarde is niets anders dan de
geldvorm van het maatschappelijk meerproduct, dat wil
zeggen de geldvorm van dat deel van de productie van de
proletariër, dat aan de eigenaar van de productiemiddelen
zonder tegenwaarde wordt afgestaan.
Hoe komt deze afstand in de
praktijk in de kapitalistische maatschappij tot stand? Zij komt
tot stand door middel van de ruil, zoals alle belangrijke
handelingen in de kapitalistische maatschappij, die altijd
ruilverhoudingen zijn. De kapitalist koopt de arbeidskracht van
de arbeider, en in ruil voor dit arbeidsloon eigent hij zich het
gehele product toe dat door de arbeider gemaakt is, met inbegrip
van nieuw geproduceerde waarde die in de waarde van dit product
is opgenomen.
We kunnen dus zeggen dat de
meerwaarde het verschil is tussen de waarde die door de arbeider
wordt geproduceerd en de waarde van zijn eigen arbeidskracht.
Wat is de waarde van de arbeidskracht?
Deze arbeidskracht is in de
kapitalistische maatschappij een waar; en zoals de waarde van
alle waren, bestaat haar waarde in de hoeveelheid arbeid die
maatschappelijk noodzakelijk is om haar te produceren en te
reproduceren. In dit geval zijn dit de kosten van
levensonderhoud van de arbeider in de ruime betekenis van het
woord.
De begrippen minimumloon en
gemiddeld loon zijn geen onveranderlijke fysiologische
begrippen. Zij omvatten behoeften die met de vooruitgang van de
arbeidsproductiviteit veranderen, en in het algemeen de tendens
vertonen met de technische vooruitgang toe te nemen. Zij kunnen
dus niet nauwkeurig over verschillende perioden met elkaar
worden vergeleken. Men kan het minimumloon uit 1830 niet
kwantitatief vergelijken met dat van 1960. De theoretici van de
Franse communistische partij hebben dit tot hun schade moeten
ondervinden.[2] Men kan de
prijs van een motor in 1960 niet vergelijken met de prijs van
een bepaald aantal kilo vlees in 1830, om daaruit dan de
conclusie te trekken dat het eerste minder ‘waard’ is dan
het laatste.
Dus nogmaals: de kosten om de
arbeidskracht in stand te houden, vormen de waarde van de
arbeidskracht. De meerwaarde is bijgevolg het verschil tussen de
door arbeidskracht geproduceerde waarde en zijn eigen kosten van
levensonderhoud.
De door de arbeidskracht
geproduceerde waarde is eenvoudig meetbaar door de arbeidsduur.
Als een arbeider tien uur werkt, heeft hij een waarde van tien
arbeidsuren geproduceerd. Als de kosten van levensonderhoud van
de arbeider, dat wil zeggen het equivalent van zijn loon,
eveneens tien arbeidsuren zouden vertegenwoordigen, zou er geen
meerwaarde zijn. Dit is slechts een bijzonder geval van een
algemene regel: wanneer het totale arbeidsproduct gelijk is aan
het product dat noodzakelijk is om de producent te voeden en te
onderhouden, is er geen maatschappelijk meerproduct.
Maar in het kapitalistische
systeem is de graad van arbeidsproductiviteit zo hoog, dat de
kosten van levensonderhoud van de arbeider altijd lager zijn dan
de hoeveelheid nieuw geproduceerde waarde. Dat betekent dat een
arbeider die tien uur werkt, niet de tegenwaarde van tien
arbeidsuren nodig heeft om zich volgens de gemiddelde behoeften
van zijn tijd in leven te houden. De tegenwaarde van het loon
vertegenwoordigt nooit meer dan een fractie van de arbeidsdag.
Al wat boven dit gedeelte uitgaat is de meerwaarde, de kosteloze
arbeid die de arbeider levert en die de kapitalist zich zonder
enige tegenwaarde toeeigent. Trouwens als dit verschil niet
bestond, zou geen enkele ondernemer een arbeider in dienst
nemen, want het kopen van arbeidskracht zou hem geen winst
opleveren.
1.8. De geldigheid van de
arbeidswaardeleer
Tot slot drie traditionele
bewijzen voor de geldigheid van de arbeidswaardeleer.
Het eerste is het analytisch
bewijs, of, zo men wil, de ontleding van de prijs van elke
waar in haar bestanddelen.
Van iedere waar kan de prijs
tot een aantal bestanddelen worden teruggevoerd: de afschrijving
van machines en gebouwen, wat we de vernieuwing van het vaste
kapitaal noemen; de prijs van de grondstoffen en de hulpstoffen;
het arbeidsloon; en tenslotte al wat onder de meerwaarde valt:
winst, rente, huur, belastingen enz.
We zagen reeds dat de beide
laatste bestanddelen, het loon en de meerwaarde, uitsluitend uit
arbeid, zuivere arbeid bestaan. De prijs van de grondstoffen is
voor een groot deel tot arbeid terug te voeren; meer dan 60 %
van de kostprijs van kolen bijvoorbeeld bestaat uit lonen.
Ontleedt men om te beginnen de gemiddelde kostprijs van de waren
in 40 % loon, 20 % meerwaarde, 30 % grondstoffen en 10 % vast
kapitaal, en neemt men aan dat 60 % van de kostprijs van
grondstoffen tot arbeid kan worden herleid, dan kan men reeds 78
% van de totale kostprijs tot arbeid terugbrengen. De rest van
de kostprijs van grondstoffen valt uiteen in prijzen van andere
grondstoffen — ook deze zijn tot 60 % arbeid te herleiden —
en kosten van machineafschrijvingen. De prijs van machines
bestaat voor een groot deel uit arbeid (b.v. 40 %) en
grondstoffen (b.v. 40 %). Het aandeel van de arbeid in de
gemiddelde prijs van alle waren wordt zo verhoogd tot 83, 87,
89,5 % enz. Het is duidelijk dat, hoe verder we met deze
ontleding gaan, hoe meer de gehele prijs er naar tendeert zich
tot arbeid — en alleen tot arbeid — te herleiden.
Het tweede bewijs is het logische
bewijs; wij vinden het in het begin van Het Kapitaal
van Marx, waar het niet weinig lezers tot wanhoop gebracht
heeft, want het is niet bepaald de eenvoudigste pedagogische
manier om het probleem te benaderen.
Marx stelt het probleem als
volgt: er bestaat een groot aantal waren. Deze waren zijn
onderling ruilbaar, wat impliceert dat zij een
gemeenschappelijke eigenschap moeten hebben. Want alles wat
ruilbaar is, is vergelijkbaar, en alles wat vergelijkbaar is,
moet minstens één gemeenschappelijke eigenschap hebben. Dingen
die geen enkele gemeenschappelijke eigenschap hebben, zijn per
definitie onvergelijkbaar.
Laten we nu de afzonderlijke
waren bezien. Wat zijn hun eigenschappen? In de eerste plaats
bezitten ze een onbeperkte reeks natuurlijke eigenschappen:
gewicht, lengte, dichtheid, kleur, breedte, moleculaire
samenstelling, kortom al hun natuurlijke, fysische, chemische
enz. eigenschappen. Kan een van deze fysische eigenschappen ten
grondslag liggen aan hun vergelijkbaarheid als waar, en de
gemeenschappelijke maat van hun ruilwaarde zijn? Het gewicht
bijvoorbeeld?
Kennelijk niet, want een kilo
boter heeft niet dezelfde waarde als een kilo goud. Of het
volume? De lengte misschien? Voorbeelden tonen onmiddellijk aan
dat geen van deze eigenschappen de gemeenschappelijke maat voor
de ruilwaarde kan zijn. Kortom alle natuurlijke eigenschappen
van een waar, hun fysische en scheikundige eigenschappen bepalen
wel hun gebruikswaarde, hun relatieve nut, maar niet hun
ruilwaarde. De ruilwaarde moet dus abstraheren van alle
natuurlijke en fysische eigenschappen van de waar.
In al deze waren moet een
gemeenschappelijke eigenschap worden gevonden, die niet van
fysische aard is. Marx komt tot de slotsom: de enige
gemeenschappelijke, niet fysische eigenschap van al deze waren
bestaat hierin, dat ze alle producten zijn van menselijke
arbeid, en wel menselijke arbeid in de abstracte
betekenis van het woord.
Men kan de menselijke arbeid op
twee verschillende manieren beschouwen. Men kan haar zien als
specifieke concrete arbeid: de arbeid van de bakker, de arbeid
van de slager, de arbeid van de schoenmaker, van de wever, de
smid enz. Maar zolang men haar slechts beschouwt als specifieke
concrete arbeid, beschouwt men haar juist als arbeid die alleen
maar gebruikswaarden voortbrengt. Men ziet dan slechts de
fysische eigenschappen, op grond waarvan de waren
onvergelijkbaar zijn. Het enige vergelijkbare dat de waren
onderling, vanuit het gezichtspunt van de ruilwaarde hebben, is,
dat ze alle zijn voortgebracht door abstracte menselijke arbeid.
Dat wil zeggen zij zijn geproduceerd door producenten die
onderling verbonden zijn door equivalentieverhoudingen, die
hierop berusten, dat ze allen waren produceren om te ruilen. Het
feit dus, dat ze product van abstracte menselijke arbeid zijn,
is de gemeenschappelijke eigenschap van waren, die de maat
levert voor hun ruilwaarde, die het mogelijk maakt dat ze
geruild worden. Deze eigenschap van de arbeid, dat zij
maatschappelijk noodzakelijk is om waren te produceren, bepaalt
dus de ruilwaarde van deze waren.
Wij voegen hier onmiddellijk
aan toe dat deze bewijsvoering van Marx abstract en tamelijk
moeilijk is. Zij heeft op zijn minst tot een vraagteken geleid,
dat talloze critici van het marxisme — overigens zonder veel
succes — hebben proberen uit te buiten.
Is het feit dat ze door
abstracte menselijke arbeid geproduceerd zijn — afgezien van
hun natuurlijke eigenschappen — werkelijk de enige
gemeenschappelijke eigenschap van alle waren? Niet weinig
auteurs hebben gemeend nog andere te kunnen ontdekken. In het
algemeen kunnen deze echter altijd worden herleid hetzij tot
fysische eigenschappen, hetzij tot het feit dat ze het product
van abstracte arbeid zijn.
Een derde en laatste bewijs
voor de juistheid van de arbeidswaardeleer is het bewijs uit
het ongerijmde, dat overigens het elegantste en
‘modernste’ is.
Stellen wij ons een ogenblik
een maatschappij voor, waarin de levende menselijke arbeid
volkomen verdwenen zou zijn, waarin dus de hele productie voor
honderd procent geautomatiseerd is. Zolang men nog in een
overgangsfase zit — zoals wij die op dit moment kennen —,
waarin naast reeds volledig geautomatiseerde arbeid, dat wil
zeggen naast enkele fabrieken, die geen arbeiders meer in dienst
hebben, er andere zijn waarin nog altijd menselijke arbeid wordt
gebruikt, is er geen bijzonder theoretisch probleem. We hebben
dan slechts te maken met het probleem van de overdracht van
meerwaarde van de ene onderneming naar de andere. Dit is een
illustratie van de wet van de nivellering van de winstvoet, die
we in het volgende hoofdstuk zullen onderzoeken.
Maar laten we deze ontwikkeling
van de automatisering in al haar consequenties doortrekken. De
menselijke arbeid is volledig uitgeschakeld uit alle vormen van
productie en dienstverlening. Kan onder deze voorwaarden nog
ruilwaarde bestaan? Wat zou dat voor een maatschappij zijn,
waarin niemand meer inkomsten zou hebben, maar de waren nog
steeds een ruilwaarde zouden hebben en verkocht worden? Een
dergelijke situatie zou duidelijk absurd zijn.
Men zou een geweldige
hoeveelheid producten produceren, waarvan de productie geen
enkel inkomen creëert. Aan deze productie zou immers geen mens
te pas komen. Maar deze producten, waarvoor geen enkele koper
meer is, zou men willen ‘verkopen’! Het is evident dat in
zo’n maatschappij de distributie van de producten niet meer in
de vorm van warenverkoop plaats zou kunnen vinden; in deze
maatschappij zou verkoop überhaupt absurd zijn vanwege de door
algemene automatisering geproduceerde overvloed.
Met andere woorden: een
maatschappij waarin de menselijke arbeid volkomen uit de
productie in de ruimste zin, dus ook de dienstverlening,
uitgeschakeld is, dat is een maatschappij, waarin ook de
ruilwaarde is verdwenen. Dit is wel een bewijs voor de juistheid
van de theorie, dat op het moment waarop de menselijke arbeid
uit de productie verdwijnt, ook de waarde verdwijnt.
Hoofdstuk
2
Kapitaal en kapitalisme
2.1. Het kapitaal in de
voorkapitalistische maatschappij
Tussen de primitieve
maatschappij, die nog gebaseerd was op een
‘natuur-economie’, waarin slechts voor de eigen consumptie
van de producenten bestemde gebruikswaarden werden
voortgebracht, en de kapitalistische maatschappij, ligt een
lange periode van de geschiedenis der mensheid, die alle
menselijke beschavingen tot aan het begin van het kapitalisme
omvat. Het marxisme definieert haar als de maatschappij van de eenvoudige
warenproductie. Dat is dus een maatschappij die de
warenproductie reeds kent, dat wil zeggen een productie van
goederen, die niet voor onmiddellijke consumptie van de
producenten, maar voor ruil op de markt bestemd zijn. Deze
warenproductie is echter nog geen algemene regel, zoals in de
kapitalistische maatschappij.
In een op eenvoudige
warenproductie gebaseerde maatschappij bestaan twee soorten
economisch handelen. De boeren en handwerkslieden komen met hun
arbeidsproduct naar de markt om waren te verkopen, waarvan zij
de gebruikswaarde niet onmiddellijk kunnen gebruiken. Zij doen
dat om geld te krijgen, d.w.z. een ruilmiddel waarmee zij andere
waren kunnen kopen, waarvan de gebruikswaarde hun ontbreekt of
in hun ogen belangrijker is dan de gebruikswaarde van de waren
waarvan zij eigenaar zijn.
De boer gaat met graan naar de
markt, hij verkoopt het voor geld en met dit geld koopt hij b.v.
linnen. De wever komt met linnen naar de markt, hij verkoopt dit
voor geld en met dit geld koopt hij b.v. graan. We hebben dus
het volgende patroon: verkopen om te kopen; waar —
geld — waar, W — G — W; wezenlijk kenmerk van deze formule
is dat de waarde aan het begin en het eind per definitie precies
gelijk is.
Maar in de eenvoudige
warenproductie komt naast de handwerkslieden en de kleine boeren
een ander type op, dat heel andere economische handelingen
verricht: in plaats van te verkopen om te kopen, koopt hij
om te verkopen. Deze man begeeft zich zonder waren naar de
markt. Hij bezit geld. Geld kan men niet verkopen, maar men kan
het gebruiken om te kopen, en dat doet hij ook: kopen om te
verkopen, om weer te kunnen doorverkopen: G — W — G’.
Tussen deze twee economische
handelingen bestaat een fundamenteel onderscheid. De tweede
handeling is immers zinloos, als de waarde aan het eind exact
hetzelfde zou zijn als aan het begin. Niemand koopt een waar om
haar voor precies dezelfde prijs waarvoor hij haar gekocht
heeft, weer door te verkopen. De handeling ‘kopen om te
verkopen’ heeft alleen zin, als de verkoop een toevoeging van
waarde, een meerwaarde, oplevert. Daarom zeggen we dat G’ per
definitie groter is dan G, en bestaat uit G en g, waarbij g
staat voor de meerwaarde, waarmee de waarde van G is toegenomen.
We kunnen kapitaal nu definiëren als een waarde,
die wordt vermeerderd met een meerwaarde. Dit kan gebeuren
tijdens de warencirculatie, zoals in het voorbeeld dat we
zojuist gaven, of tijdens de productie, wat in het
kapitalistische systeem het geval is. Kapitaal is dus iedere
waarde die wordt vermeerderd met een meerwaarde, en dit kapitaal
bestaat niet alleen in de kapitalistische maatschappij, maar ook
in de maatschappij die op een eenvoudige warenproductie is
gebaseerd. We moeten dus een duidelijk onderscheid maken tussen kapitaal
en kapitalistische productiewijze, dat wil zeggen het
bestaan van een kapitalistische maatschappij. Het kapitaal is
veel ouder dan de kapitalistische productiewijze. Kapitaal
bestaat naar schatting reeds ongeveer drieduizend jaar, de
kapitalistische productiewijze is daarentegen nauwelijks
tweehonderd jaar oud.
Wat is de vorm van het kapitaal
in de voorkapitalistische maatschappij? In wezen de vorm van het
woeker- en handelskapitaal. De overgang van de
voorkapitalistische naar de kapitalistische maatschappij wordt
gekenmerkt door het feit dat het kapitaal binnendringt in de
sfeer van de productie. De kapitalistische productiewijze is de
eerste productiewijze en maatschappelijke organisatievorm,
waarin het kapitaal zich niet meer uitsluitend beperkt tot een
bemiddelende rol en slechts profiteert van niet-kapitalistische
productievormen, die nog op eenvoudige warenproductie gebaseerd
zijn, maar waarin het zich de productiemiddelen heeft toegeëigend
en in de productie zelf is doorgedrongen.
2.2. Oorsprong van de
kapitalistische productiewijze
Wat is de oorsprong van de
kapitalistische productiewijze en van de kapitalistische
maatschappij, zoals zij zich sedert tweehonderd jaar ontwikkelt?
In de eerste plaats moet de
scheiding van de producenten van hun productiemiddelen worden
genoemd; vervolgens het proces waarin deze productiemiddelen tot
een monopolie worden in de handen van één enkele sociale
klasse, de bourgeoisie; tenslotte het ontstaan van een nieuwe
sociale klasse, die van de productiemiddelen gescheiden is en
dus geen andere mogelijkheid heeft om in haar levensonderhoud te
voorzien dan haar arbeidskracht te verkopen aan de klasse die de
productiemiddelen heeft gemonopoliseerd.
Laten we deze oorsprongen van
de kapitalistische productiewijze, die tegelijkertijd de
wezenskenmerken van het kapitalistisch systeem zelf zijn, elk
afzonderlijk onderzoeken.
Eerste kenmerk: scheiding
van de producent van zijn productiemiddelen. Dit is de
grondvoorwaarde voor het bestaan van het kapitalistisch systeem,
die echter het minst begrepen is. Laten we een voorbeeld nemen
dat misschien paradoxaal aandoet: de maatschappij van de hoge
middeleeuwen, die gekenmerkt werd door lijfeigenschap.
We weten dat het merendeel van
de boerenproducenten toen lijfeigene was en aan de grond
gebonden. Maar als men zegt dat de lijfeigene aan de grond
gebonden is, dan impliceert dat tevens, dat de grond is gebonden
aan de lijfeigene. Hij behoort dus tot een sociale klasse, die
in ieder geval een materiële basis had om in haar behoeften te
voorzien; want de lijfeigene beschikte over genoeg grond om
zelfs met de meest primitieve instrumenten met zijn eigen handen
te kunnen voorzien in de belangrijkste behoeften van zijn
huishouden. We hebben hier dus niet te maken met mensen, die
gedoemd zijn van honger om te komen als ze hun arbeidskracht
niet verkopen. In zo’n maatschappij bestaat dus geen
economische dwang om zijn handen, zijn arbeidskracht te
verhuren, te verkopen aan een kapitalist.
Met andere woorden: in zo’n
maatschappij kan het kapitalistische systeem zich niet
ontwikkelen. Deze algemene waarheid kan overigens met een
voorbeeld uit de moderne tijd worden toegelicht: de manier,
waarop de kapitalisten in de negentiende en het begin van de
twintigste eeuw het kapitalisme in de Afrikaanse landen hebben
ingevoerd.
Wat waren de algemene
bestaansvoorwaarden van de volkeren van de Afrikaanse landen? Ze
bedreven veeteelt en een per streek meer of minder primitieve
akkerbouw, die echter overal gekenmerkt werd door een relatieve
overvloed aan grond. Gebrek aan grond was in Afrika onbekend,
integendeel, de bevolking kon over praktisch onbegrensde
grondreserves beschikken. Natuurlijk waren op deze grond vanwege
de zeer primitieve landbouwwerktuigen de oogsten mager en de
levensstandaard uitzonderlijk laag. Desondanks bestond er geen
materiële noodzaak voor deze volkeren om in de mijnen, de
plantages of de fabrieken van blanke kolonialisten te gaan
werken. Met andere woorden, als men geen verandering zou brengen
in het stelsel van het grondbezit van Equatoriaal en Zwart
Afrika, dan kon men daar de kapitalistische productiewijze niet
invoeren. Om deze productiewijze in te voeren, heeft men de
massa van de zwarte bevolking met buiteneconomische dwang
radicaal en op brute wijze van haar normale bestaansmiddelen
moeten scheiden. Men moest een groot deel van het bouwland van
de ene dag op de andere in domeinen veranderen door het de
koloniserende staat in eigendom te geven; of door het in
particulier eigendom te geven aan kapitalistische
maatschappijen. Men moest de zwarte bevolking ‘stationeren’
in gebieden die men cynisch de naam ‘reservaat’ gaf, op
stukken grond die te klein waren om alle bewoners te voeden.
Bovendien moest men haar een hoofdelijke belasting opleggen, dat
wil zeggen een geldbelasting per hoofd van de bevolking, ondanks
het feit dat de primitieve landbouw geen geldinkomsten kent.
Door deze verschillende
buiteneconomische dwangmaatregelen heeft men de Afrikaan dus
gedwongen als loontrekker te gaan werken, al was het maar voor
twee of drie maanden per jaar. In ruil voor deze arbeid kreeg
hij geld, waarmee hij de belasting kon betalen en de
noodzakelijke extra voedingsmiddelen kopen, die hij nodig had
voor zijn levensonderhoud, omdat de hem overgebleven grond
daarvoor niet toereikend was.
In landen als Zuid-Afrika,
Rhodesië en voor een deel ook het voormalige Belgisch-Congo,
waar de kapitalistische productiewijze op de meest ruime schaal
is ingevoerd, werden overal deze methoden toegepast: men heeft
een groot deel van de zwarte bevolking ontworteld en verjaagd en
uit haar traditionele werk- en leefwijze verdreven.
Laat ons terloops de
ideologische huichelarij vermelden, waarmee deze beweging
gepaard ging, het geklaag van de kapitalistische maatschappijen
en de blanke opzichters, die beweerden dat de zwarten lui waren,
omdat ze zelfs niet wilden werken, als ze de kans kregen in de
mijnen en fabrieken tien keer zoveel te verdienen als vroeger op
hun eigen akkers. Dezelfde klachten kon men vijftig of zeventig
jaar daarvoor horen over de Indiase, Chinese of Arabische
arbeiders. Men heeft ze ook in de zeventiende en achttiende eeuw
gehoord — een goed bewijs voor de fundamentele gelijkheid van
alle menselijke rassen — over de Europese arbeiders, Franse,
Belgische, Engelse en Duitse. Het gaat om het volgende identieke
feit:
op grond van zijn fysiek en
psychisch gestel zit geen mens normaal gesproken graag acht,
negen, tien of twaalf uur per dag opgesloten in een fabriek, een
manufactuur of een mijn. Uitzonderlijk sterke dwang- en
pressiemaatregelen zijn nodig om een mens, die aan dergelijk
dwangarbeiderswerk niet gewend is, hiertoe te verplichten.
Het tweede kenmerk dat aan de
kapitalistische productiewijze ten grondslag ligt, is de
concentratie van de productiemiddelen tot een monopolie in
handen van één enkele sociale klasse, de bourgeoisie.
Deze concentratie is praktisch onmogelijk, als er geen
voortdurende revolutie van de productiemiddelen is, als deze
niet steeds gecompliceerder en kostbaarder worden, althans de
productiemiddelen die men minimaal nodig heeft om een grote
onderneming te beginnen (het werkkapitaal van een fabriek).
In de middeleeuwse gilden en
ambachten was er een grote stabiliteit in de productiemiddelen.
Weefgetouwen bijvoorbeeld werden van vader op zoon, van
generatie op generatie overgeërfd. De waarde van zo’n
weefstoel was relatief laag, zodat iedere gezel mocht hopen in
een bepaald aantal arbeidsjaren de tegenwaarde van zo’n
weefstoel te kunnen verwerven. De mogelijkheid om een monopolie
te vestigen ontstond pas met de industriële revolutie, die een
ononderbroken ontwikkeling van steeds gecompliceerder machines
op gang bracht, waardoor er steeds grotere kapitalen nodig waren
om een nieuwe onderneming op te richten.
Men kan zeggen dat vanaf dat
moment de toegang tot het bezit van de productiemiddelen voor de
overgrote meerderheid der loonarbeiders en salaristrekkenden
onmogelijk wordt, en dat de eigendom van de productiemiddelen
een monopolie wordt in handen van één enkele sociale klasse.
Deze beschikt over kapitaal en kapitaalreserves; ze kan nieuw
kapitaal accumuleren, uitsluitend omdat zij reeds kapitaal
bezit. De klasse die geen kapitaal bezit, is daarmee veroordeeld
om eeuwig even bezitloos te blijven, en aan dezelfde dwang
onderworpen te blijven, voor anderen te moeten werken.
Een derde kenmerk dat aan het
kapitalisme ten grondslag ligt, is het ontstaan van een
sociale klasse, die niets dan haar eigen handen bezit en op geen
andere wijze in haar behoeften kan voorzien dan door haar
arbeidskracht te verkopen, maar die tegelijkertijd vrij is
om deze te verkopen — namelijk aan de kapitalisten, de
eigenaren van de productiemiddelen.
Dit is het ontstaan van het moderne
proletariaat.
Dit is dus het derde kenmerk:
het proletariaat, dat wil zeggen de vrije arbeider. In
verhouding tot de middeleeuwse lijfeigenschap is het zowel een
voor- als een achteruitgang: een stap vooruit, omdat de
lijfeigene niet vrij was (de lijfeigene zelf was weer een stap
vooruit ten opzichte van de slaaf), zich niet vrij kon
verplaatsen; een stap achteruit, omdat de proletariër — in
tegenstelling tot de lijfeigene — ook ‘vrij’, dat wil
zeggen beroofd is van iedere toegang tot de productiemiddelen.
2.3. Oorsprong en definitie
van het moderne proletariaat
Tot de directe voorouders van
het moderne proletariaat kan men de ontwortelde bevolking van de
middeleeuwen rekenen, dat wil zeggen dat deel van de bevolking
dat niet meer aan de grond was gebonden, en evenmin lid was van
een corporatie, ambacht of gilde. Dit deel van de bevolking
zonder vaste woon- of verblijfplaats, begon zich reeds toen als
dag- of uurloner te verhuren. Er waren steden in de
middeleeuwen, met name Venetië, Florence en Brugge, waar vanaf
de dertiende, veertiende of vijftiende eeuw een
‘arbeidsmarkt’ opkomt. In een of andere hoek van de stad
verzamelden zich iedere ochtend de armen, die geen lid van een
gilde of geen handwerksgezel waren, en niet over eigen
bestaansmiddelen beschikten. Zij wachtten tot een of andere
koopman of ondernemer hun diensten voor een uur, een halve of
hele dag of langer kwam ‘huren’.
Een tweede oorsprong van het
moderne proletariaat — die niet zo ver achter ons ligt — lag
in de ontbinding van het feodale gevolg, dus in het langdurige
en geleidelijke verval van de feodale adel, dat in de dertiende
en veertiende eeuw begint en met de burgerlijke revolutie in
Frankrijk tegen het einde van de achttiende eeuw wordt
afgesloten. Tijdens de hoge middeleeuwen waren dikwijls vijftig,
zestig of meer huishoudens direct afhankelijk van een feodale
heer. Het aantal persoonlijke dienaren begon met name in de loop
van de zestiende eeuw terug te lopen. Een zeer sterke stijging
van de prijzen in deze eeuw leidde tot een verregaande verarming
van alle sociale klassen met een vast geldinkomen; dus ook van
de feodale adel in West-Europa, die in het algemeen de rente in
natura in een geldrente had omgezet. Deze verarming leidde tot
massaal ontslag van een groot deel van het feodale gevolg.
Daardoor waren er duizenden voormalige kamerdienaren, knechten,
schrijvers van edellieden, die langs de wegen gingen zwerven,
bedelaar werden enz.
Een derde oorsprong van het
moderne proletariaat is de verdrijving van een deel van de
boeren van hun grond — een gevolg van de omzetting van
akkerland in weidegrond. In het begin van de zestiende eeuw vond
de grote socialistische utopist Thomas More daarvoor de
uitstekende formulering: ‘De schapen hebben de mensen
opgevreten’. Het omzetten van akkergrond in weiland voor de
schapenteelt was een gevolg van de opkomst van de wolindustrie:
dit verdreef vele duizenden Engelse boeren van hun land en
veroordeelde hen tot een hongerbestaan.
Tenslotte is er nog een vierde
oorsprong van het moderne proletariaat, die in West-Europa een
geringe rol heeft gespeeld, maar in Midden- en Oost-Europa, in
Azië, Latijns-Amerika en Noord-Afrika van grote betekenis is
geweest: de vernietiging van het oude handwerk door de
concurrentiestrijd tussen dit ambachtelijk handwerk en de
moderne industrie, die zich van buitenaf een weg baande in deze
onderontwikkelde landen.
Resumerend: de kapitalistische
productiewijze is een systeem, waarin de productiemiddelen het
monopolie zijn geworden van één enkele klasse, en waarin de
producenten — van deze productiemiddelen gescheiden — vrij
zijn, maar van alle bestaansmiddelen beroofd, en dus gedwongen
hun arbeidskracht aan de eigenaren van de productiemiddelen te
verkopen, om te kunnen voortbestaan. Het proletariaat wordt niet
zozeer gekenmerkt door een hoog of laag loonniveau, maar door
het feit dat het gescheiden is van zijn productiemiddelen, of
niet over voldoende inkomsten beschikt om zelfstandig te worden.
Als men wil weten of het
proletariaat aan het verdwijnen is, of zich integendeel
uitbreidt, moet men niet naar het gemiddelde loon van de
arbeider kijken of het salaris van de employé, maar moet men
dit loon vergelijken met zijn gemiddelde verbruik, met andere
woorden zijn spaarmogelijkheden vergelijken met het werkkapitaal
van een onafhankelijke onderneming. Als men kon vaststellen dat
elke arbeider of employé na tien jaar een vermogen van
bijvoorbeeld 100.000 of 300.000 gulden opzij heeft gelegd,
voldoende om een zaak of een kleine werkplaats te kopen, dan zou
men kunnen zeggen dat het proletarisch bestaan aan het
verdwijnen is en we in een maatschappij leven, waarin de
eigendom van de productiemiddelen zich uitbreidt en
veralgemeent.
Als men echter vaststelt, dat
de overgrote meerderheid van de werkers, industriearbeiders,
employés en ambtenaren na een leven van hard werken even arm is
als daarvoor, dat wil zeggen praktisch zonder spaargeld, zonder
voldoende kapitaal om productiemiddelen te kopen, dan kan men
daaruit concluderen dat het proletariaat geenszins aan het
verdwijnen is, maar integendeel algemener wordt. In vergelijking
met honderd vijftig jaar geleden leiden tegenwoordig veel meer
mensen een proletarisch bestaan.
Als men bijvoorbeeld de
statistieken over de sociale structuur van de VS neemt, dan ziet
men dat de afgelopen zestig jaar het percentage van de
Amerikaanse beroepsbevolking dat zelfstandig werkt, als
zelfstandig ondernemer of compagnonfamilielid geclassificeerd
is, zonder onderbreking iedere vijf jaar terugloopt, terwijl het
percentage van de beroepsbevolking dat gedwongen is zijn
arbeidskracht te verkopen, regelmatig iedere vijf jaar stijgt.
Als men overigens de
statistieken over de verdeling van het privé-vermogen bekijkt,
stelt men vast dat de overweldigende meerderheid van de
arbeiders (die men op 95 % kan stellen), en de overgrote
meerderheid van de employés (naar schatting 80 of 85 %) er niet
in slaagt zelfs maar een onaanzienlijk vermogen, een klein
kapitaal op te bouwen. Hieruit blijkt dat zij hun hele inkomen
uitgeven, en dat de vermogens zich in werkelijkheid tot een heel
klein deel van de bevolking beperken. In de meeste
kapitalistische landen bezitten 1; 2; 2,5; 3,5; of 5 % van de
bevolking 40, 50 of 60 % van het privé-vermogen van het land.
De rest bevindt zich in handen van 20 of 25 % van de bevolking.
De eerste groep bezitters wordt gevormd door de
grootbourgeoisie; de tweede door de midden- en kleinbourgeoisie.
Alle andere groepen bezitten uitsluitend consumptiegoederen
(waaronder soms ook een woning valt).
Als de statistieken over de
successierechten en de belasting op erfenissen goed zijn
bijgehouden, zijn zij zeer onthullend op dit punt.
Een zorgvuldige studie, die
door het Brookings Institute — een bron, die boven iedere
verdenking van marxisme staat — voor de New Yorkse beurs werd
gemaakt, laat zien, dat in de VS ten hoogste l of 2 % van de
arbeiders aandelen bezit en dat dit ‘bezit’ gemiddeld
slechts 1000 dollar, dat wil zeggen ongeveer 3600 gulden
bedraagt.
Bijna het gehele kapitaal
bevindt zich dus in het bezit van de bourgeoisie, en dit onthult
hoe het kapitalistische systeem zichzelf reproduceert. Zij die
over kapitaal beschikken, kunnen steeds meer kapitaal
accumuleren. Maar zij die geen kapitaal bezitten, kunnen het ook
nauwelijks verwerven.
Zo vereeuwigt zich de verdeling
van de maatschappij in een bezittende klasse en een klasse die
gedwongen is haar arbeidskracht te verkopen.
De prijs voor deze
arbeidskracht, het arbeidsloon, wordt praktisch volledig
verbruikt, terwijl de bezittende klasse kapitaal bezit dat
voortdurend met meerwaarde wordt vermeerderd. Van de
kapitaalverrijking van de maatschappij trekt uitsluitend één
enkele sociale klasse profijt, namelijk de kapitalistenklasse.
2.4. Het fundamentele
mechanisme van de kapitalistische economie
Wat is de fundamentele
functioneringswijze van deze kapitalistische maatschappij?
Als u op een dag naar de
katoenbeurs gaat, kunt u niet weten of er precies genoeg, te
weinig of te veel katoen is voor de nationale behoefte van dat
moment. Dat kunt u pas na een bepaalde tijd vaststellen; wanneer
er namelijk overproductie is en een deel van de productie
onverkoopbaar is, zult u de prijzen zien dalen. En omgekeerd
zult u de prijzen zien stijgen wanneer er schaarste is. De
prijsbeweging is de thermometer, die schaarste of overvloed
aangeeft. En net zoals men pas achteraf kan vaststellen, of de
totale arbeidshoeveelheid die in een industrietak uitgegeven is,
maatschappelijk noodzakelijk was of gedeeltelijk verspild is, zo
kan men ook pas achteraf nauwkeurig de waarde van een waar
bepalen. Deze waarde is derhalve — zo men wil — een abstract
begrip, een constante waarom de prijzen schommelen.
Wat brengt de prijzen in
beweging en daarmee — op langere termijn — ook de waarden,
de arbeidsproductiviteit, de productie en het economisch leven
in zijn geheel?
What makes Sammy run? Wat
brengt de kapitalistische maatschappij in beweging?
De concurrentie.
Zonder concurrentie geen kapitalistische maatschappij. Een
maatschappij waaruit de concurrentie totaal, radicaal en
definitief is verwijderd, kan niet langer kapitalistisch zijn,
omdat haar belangrijkste economische drijfveer om kapitaal te
accumuleren zou ontbreken: en 90 % van alle economische
handelingen die door kapitalisten worden verricht, dienen om
kapitaal te accumuleren.
Waarop berust de concurrentie?
Aan de concurrentie liggen twee begrippen ten grondslag, die
niet identiek hoeven te zijn. In de eerste plaats het begrip onbegrensde
markt, de onbeperkte, niet afgebakende markt. In de tweede
plaats het begrip menigvuldigheid van de beslissingscentra,
vooral op het gebied van investeringen en productie.
Wanneer de productie van een
hele industrietak volledig in de handen van één enkele
kapitalistische onderneming is geconcentreerd, is daarmee de
concurrentie nog niet uitgeschakeld; want nog altijd bestaat de
onbegrensde markt en zal er dus concurrentischtrijd blijven
bestaan tussen deze en andere industrietakken om nieuwe delen
van de gehele markt te veroveren. Bovendien blijft de
mogelijkheid bestaan, dat een nieuwe concurrent van buitenaf in
deze industrie binnendringt.
Maar ook in het omgekeerde
geval zou er concurrentie blijven bestaan.
Ook wanneer men zich een
volledig afgesloten en begrensde markt zou kunnen voorstellen,
waarbinnen talrijke ondernemingen om een deel van deze begrensde
markt zouden strijden, zou er natuurlijk concurrentie blijven.
Dus alleen als deze beide
verschijnselen gelijktijdig worden geëlimineerd, dat wil zeggen
als er nog slechts één enkele producent voor alle waren is, en
de markt volledig stabiel en verstard is en geen
expansiemogelijkheid bezit, kan ook de concurrentie volledig
verdwijnen.
Men kan de onbegrensde markt
pas begrijpen, wanneer men haar vergelijkt met de tijd van de
eenvoudige warenproductie. Een gilde in de middeleeuwen werkte
voor een begrensde markt, die zich in het algemeen tot de stad
zelf en haar directe omgeving beperkte. Bovendien werkten de
gildenbroeders volgens een voorgeschreven en vaste werkmethode.
De historische overgang van de
begrensde naar de onbegrensde markt kan met het volgende
voorbeeld worden geïllustreerd: in de vijftiende eeuw werden de
oude lakenfabrieken in de stad vervangen door nieuwe op het
platteland. Er ontstonden nu lakenmanufacturen, die niet waren
onderworpen aan de regels van het gilde: zonder beperkingen in
de productie en dus ook zonder beperking van de afzet. Zij
trachtten overal te infiltreren, nieuwe klanten te vinden, niet
alleen in de directe omgeving van hun productiecentrum, maar
zelfs in verre landen zochten zij nieuwe afzetmarkten. Bovendien
veroorzaakte de grote revolutie in de handel, in de zestiende
eeuw, een relatieve prijsdaling van een hele reeks producten,
die in de middeleeuwen als luxegoederen beschouwd werden en
slechts door een klein deel van de bevolking gekocht konden
worden. Deze producten werden nu plotseling veel goedkoper en
betaalbaar voor een groot deel van de bevolking. Het meest
frappante voorbeeld daarvan is de suiker, tegenwoordig een
alledaags product dat in geen enkel Europees arbeidersgezin
ontbreekt, maar dat in de vijftiende eeuw nog uitzonderlijke
luxe was.
De pleitbezorgers van het
kapitalisme voeren steeds weer de prijsdaling en de uitbreiding
van de markt voor een reeks producten aan als weldaden van dit
systeem. Het argument is juist. Het is een aspect van wat Marx
de ‘beschavingsopdracht van het Kapitaal’ noemt. Het betreft
hier namelijk een dialectisch doch reëel verschijnsel, dat
hieruit bestaat dat enerzijds de waarde van de arbeidskracht een
dalende tendens vertoont, omdat de kapitalistische industrie
steeds sneller die waren produceert die de tegenwaarde van het
loon vormen, maar anderzijds een stijgende tendens vertoont,
omdat haar waarde in toenemende mate de waarde van een hele
reeks waren omvat, die vroeger voor een uiterst klein gedeelte
van de bevolking consumptiegoederen waren, maar intussen voor
massaconsumptie vrijgekomen zijn.
In wezen is de hele
geschiedenis van de handel van de zestiende tot de twintigste
eeuw de geschiedenis van de steeds snellere verandering van de
handel in luxewaren in een handel in massaproducten, waren
voor een steeds groter wordend deel van de bevolking. Pas
dankzij de ontwikkeling van de spoorwegen, de snellere
scheepvaart, de telegrafie enz. kon de hele wereld worden
veranderd in een potentiële afzetmarkt voor iedere
kapitalistische grootindustrieel.
Het begrip onbegrensde markt
omvat dus niet alleen de geografische expansie, maar ook de
economische. Deze laatste wordt veroorzaakt door de groeiende
koopkracht. Om een voorbeeld uit het jongste verleden te nemen:
de enorme uitbreiding van de productie van duurzame
consumptiegoederen in de kapitalistische wereld in de laatste
vijftien jaar kwam geenszins tot stand door geografische
uitbreiding van de kapitalistische markt; integendeel: zij ging
gepaard met een geografische inkrimping van de kapitalistische
markt, omdat een hele reeks landen daar in die periode uit
wegvielen. Weinig of geen Franse, Italiaanse, Duitse, Engelse,
Japanse of Amerikaanse auto’s worden geëxporteerd naar de
Sowjet-Unie, China, Noord-Vietnam, Cuba, Noord-Korea en de
Oost-Europese landen. Niettemin was er een enorme opbloei van de
automobielindustrie, omdat een steeds groter deel van de
beschikbare koopkracht, die overigens ook zelf toenam, gebruikt
werd voor de aanschaf van deze duurzame consumptiegoederen.
Het is geen toeval dat deze
expansie gepaard ging met een crisis, min of meer permanent, in
de landbouw in de industrieel hoog ontwikkelde kapitalistische
landen, waar de consumptie van een hele reeks landbouwproducten
niet alleen relatief niet meer toeneemt, maar zelfs absoluut
begint te dalen, zoals de consumptie van brood, aardappelen,
fruit, eenvoudige soorten appelen en peren enz.
Productie voor een onbegrensde
markt onder concurrentievoorwaarden heeft een vergroting van de
productie ten gevolge. Want dankzij de schaalvergroting van de
productie kunnen de productiekosten worden verlaagd en kan de
concurrent door lagere prijzen verslagen worden. Wanneer men de
ontwikkeling van de waarde van alle in massaproductie
gefabriceerde waren in de kapitalistische wereld op lange
termijn beschouwt, valt niet te betwisten dat deze waarde
aanzienlijk is gedaald.
Een kostuum, een mes, een paar
schoenen of een schoolschrift hebben, gemeten in arbeidsuren of
-minuten, tegenwoordig een veel lagere waarde dan vijftig of
honderd jaar geleden.
We moeten natuurlijk de reële
waarde en niet de verkoopprijs met de productiekosten
vergelijken. In de verkoopprijs zitten immers de enorme kosten
van distributie en verkoop, en ook de opgeblazen monopolistische
meerwinst. Nemen we het voorbeeld van de olie, met name de olie
uit het Midden-Oosten die wij in Europa gebruiken. De
productiekosten liggen zeer laag, ze bedragen nauwelijks 10 %
van de verkoopprijs.
Deze sterke waardedaling staat
in elk geval buiten twijfel. Door de groei van de
arbeidsproductiviteit daalt de waarde van de waren, omdat deze
in een steeds kleinere tijdseenheid worden geproduceerd. Dit is
voor het kapitalisme het belangrijkste middel om de afzetmarkt
te vergroten en de concurrentie te verslaan.
Op welke manier kan de
kapitalist de kostprijs sterk verlagen en tegelijk de productie
sterk verhogen? Door voortdurende mechanisering, door
steeds nieuwe productiemiddelen, steeds gecompliceerder
mechanische arbeidsinstrumenten te ontwikkelen, die eerst door
stoomkracht, daarna door aard- of dieselolie en tenslotte door
elektriciteit werden aangedreven.
2.5. De groei van de
organische samenstelling van het kapitaal
In de hele kapitalistische
productie kan de waarde worden weergegeven door middel van de
formule c+v+m: constant kapitaal (c) plus variabel kapitaal (v)
plus meerwaarde (m). De waarde van iedere waar valt in twee
delen uiteen: het ene wordt gevormd door de in stand gehouden
waarde, het andere door de nieuw geproduceerde waarde. De
arbeidskracht heeft een dubbele functie, een dubbele
gebruikswaarde: enerzijds moet zij de bestaande waarde van de
arbeidsinstrumenten, de machines en gebouwen in stand houden,
door een deel van hun waarde op te nemen in de lopende
productie; anderzijds moet zij nieuwe waarde scheppen, waarvan
de meerwaarde, de winst een deel vormt. Een deel van deze nieuwe
waarde gaat naar de arbeider; dat is de tegenwaarde van zijn
loon. De rest, de meerwaarde, eigent de kapitalist zich zonder
tegenwaarde toe.
De tegenwaarde van het loon
noemen we het variabele kapitaal v. Waarom noemen we het
kapitaal? Omdat de kapitalist deze waarde inderdaad voorschiet.
Ze is dus een gedeelte van zijn kapitaal, dat hij uitgeeft
voordat de waarde van de door de arbeiders geproduceerde waren
gerealiseerd is, dus door verkoop weer binnen komt.
Het constante kapitaal c noemen
we dat deel van het kapitaal, dat in machines, gebouwen,
grondstoffen enz. is omgezet; de waarde van het constante
kapitaal wordt door de productie niet vergroot, maar alleen in
stand gehouden.
Het variabele kapitaal v noemen
we dat deel van het kapitaal, waarmee de kapitalist de
arbeidskracht koopt, omdat dit het enige deel van het kapitaal
is, dat de kapitalist in staat stelt zijn kapitaal met een
meerwaarde te vergroten.
Wat is nu de economische wet
van de concurrentie, van de drang tot verhoging van de
productiviteit, tot mechanisering, en tot opvoering van de
capaciteit van de machine? De wet van deze dynamiek, die de
grondtendens van het kapitalistisch systeem is, berust op het
streven om het constante kapitaal te vergroten in verhouding tot
het totale kapitaal (c + v). In de breuk c/(c+v) heeft c de
tendens toe te nemen. Het deel van het totale kapitaal, dat uit
machines en grondstoffen, en niet uit lonen bestaat, (c), heeft
dus de tendens toe te nemen naarmate de mechanisering verder
voortschrijdt en de concurrentie het kapitalisme dwingt de
arbeidsproductiviteit onophoudelijk te verhogen. We noemen deze
breuk c/(c+v) de organische samenstelling van het kapitaal (c +
v). Zoals we zagen vertoont de organische samenstelling van het
kapitaal in het kapitalistisch systeem een stijgende tendens; c
tendeert er dus naar, groter te worden in verhouding tot c + v.
Hoe kan de kapitalist echter
nieuwe machines aanschaffen? Wat wil dat zeggen, dat het
constante kapitaal voortdurend toeneemt? De fundamentele
handeling van de kapitalistische economie bestaat uit de
productie van de meerwaarde. Maar zolang de meerwaarde slechts
geproduceerd is, blijft zij in de waren opgesloten en kan de
kapitalist er gee |