Portaal

Biografie
Werken
Over het leven en het werk van Mandel...
Debatten, interviews, ...
Multimedia
Contact
Mailinglist

Nu voor 12 euro!

Dubbele DVD:

Links
Castellano
Deutsch
English
Français

Inleiding in de marxistische economie

Ernest Mandel - Internet-archief
Ernest Mandel Afdrukken
Geschreven: 1964
Bron: Oorspronkelijke titel: ‘Initiation à la théorie économique marxiste’, verschenen in: ‘Les cahiers du Centre d’Etudes Socialistes’, Parijs, 1964.
Vertaling: H.C. Boekraad, F. Wormer
Deze versie: Socialistische Uitgeverij Nijmegen, 1974, 76 pp. Deze inleiding bevat de tekst van een drietal voordrachten die Mandel in 1963 tijdens een scholingsweekend van de Parti Socialiste Unifié (PSU) hield.

Inhoud:

1. De waarde- en meerwaardeleer
1.1. Het maatschappelijk meerproduct
1.2. Waren, gebruikswaarde en ruilwaarde
1.3. De marxistische leer van de vervreemding
1.4. De waardewet
1.5. De bepaling van de ruilwaarde van de waren
1.6. Wat is maatschappelijk noodzakelijke arbeid?
1.7. Oorsprong en karakter van de meerwaarde
1.8. De geldigheid van de arbeidswaardeleer

2. Kapitaal en kapitalisme
2.1. Het kapitaal in de voorkapitalistische maatschappij
2.2. Oorsprong van de kapitalistische productiewijze
2.3. Oorsprong en definitie van het moderne proletariaat
2.4. Het fundamentele mechanisme van de kapitalistische economie
2.5. De groei van de organische samenstelling van het kapitaal
2.6. De concurrentie leidt tot concentratie en monopolievorming
2.7. De tendentiële daling van de gemiddelde winstvoet
2.8. De hoofdcontradictie van het kapitalistische systeem en de periodieke crises van de overproductie


3. Het neokapitalisme
3.1. De oorsprong van het neokapitalisme
3.2. De permanente technologische revolutie
3.3. De betekenis van de bewapeningsuitgaven
3.4. Het ‘afremmen’ van de crises en hun omzetting in recessies3.5. De tendens tot permanente inflatie
3.6. De ‘economische planning’
3.7. De staatsgarantie van de winst


Hoofdstuk l

De waarde- en meerwaardeleer

Alle vooruitgang van de beschaving wordt in laatste instantie bepaald door de groei van de arbeidsproductiviteit. Zolang de productie van een groep mensen maar net voldoende is om de producenten in leven te houden en er geen overschot bestaat boven dit noodzakelijke product, is er geen arbeidsdeling mogelijk, en is er geen plaats voor handwerkslieden, kunstenaars of wetenschappers. A fortiori is het dan onmogelijk technieken te ontwikkelen, die voor dergelijke specialisaties vereist zijn.

1.1. Het maatschappelijk meerproduct

Zolang de arbeidsproductiviteit zo laag is, dat het arbeidsproduct van een mens slechts toereikend is voor zijn eigen levensonderhoud, bestaat er ook geen maatschappelijke arbeidsdeling, geen differentiatie binnen de maatschappij. Alle mensen zijn dan producenten. Ze bevinden zich allen in even ellendige omstandigheden. Iedere toename van de arbeidsproductiviteit boven dit allerlaagste niveau schept de mogelijkheid van een klein ‘surplus’ — een overschot. Zodra er echter een surplus aan producten (een goederenoverschot) ontstaat, zodra twee handen meer voortbrengen dan voor hun eigen onderhoud noodzakelijk is, kan de mogelijkheid ontstaan van een strijd om de verdeling van dit surplus. Vanaf dat moment betekent de totale arbeid van een gemeenschap niet meer noodzakelijk arbeid die uitsluitend bestemd is voor het levensonderhoud van de producenten. Een deel van deze arbeid kan er toe bestemd worden om een ander deel van de maatschappij te bevrijden van deze noodzaak om voor eigen onderhoud te werken.

Als deze mogelijkheid ontstaat, kan een deel van de maatschappij zichzelf ontwikkelen tot heersende klasse. Haar voornaamste kenmerk is, dat zij bevrijd is van de noodzaak om voor eigen onderhoud te werken.

Vanaf dat moment valt de arbeid van de producenten in twee gedeelten uiteen. Een deel van de arbeid wordt nog steeds voor eigen onderhoud verricht — dit noemen we de noodzakelijke arbeid. Een ander deel dient voor het onderhoud van de heersende klasse — dit noemen we de meerarbeid.

Laten we een duidelijk voorbeeld nemen: de slavenarbeid op de plantages in bepaalde streken en bepaalde perioden van het Romeinse Rijk of op de grote plantages die vanaf de zeventiende eeuw in West-Indië of op de Portugees-Afrikaanse eilanden ontstonden. In het algemeen verschaft in alle tropische streken de meester aan zijn slaven niet eens hun voedsel; de slaaf moet dit zelf produceren door ‘s zondags op een klein stukje land de producten te winnen die voor zijn voeding bestemd zijn. Zes dagen per week werkt de slaaf op de plantage; dit is arbeid waarvan de producten hém niet toevallen, die dus een maatschappelijk meerproduct creëert waarvan hij afstand doet zodra het geproduceerd is. Het behoort uitsluitend aan de slavenhouder.

De werkweek die hier uit zeven dagen bestaat, valt dus uiteen in twee gedeelten: de arbeid van één dag, de zondag, vormt de noodzakelijke arbeid; de slaaf maakt op deze manier de producten voor zijn eigen onderhoud, om zichzelf en zijn familie in leven te houden. De arbeid van zes dagen per week vormt de meerarbeid, arbeid waarvan de producten uitsluitend toevallen aan de meesters, die deze producten gebruiken voor hun levensonderhoud en om hun rijkdom te vergroten.

Een ander voorbeeld is dat van de grote landgoederen van de hoge middeleeuwen. De landerijen van deze domeinen kan men in drieën verdelen: gemeenschapsgrond, het land dat gemeenschappelijk eigendom blijft, d.w.z. bossen, weidegrond, drasland enz.; vervolgens de landerijen waarop de lijfeigene werkt voor het onderhoud van zichzelf en zijn gezin; en tenslotte de grond waarop de lijfeigene werkt om de feodale heer te onderhouden. In het algemeen telt de werkweek hier zes en geen zeven dagen. Zij valt in twee gelijke delen uiteen: drie dagen per week bewerkt de lijfeigene het land waarvan de producten hem toekomen en drie dagen per week bewerkt hij het land van de feodale heer. Zonder enige beloning verricht hij onbetaalde arbeid voor de heersende klasse.

We kunnen het product van deze verschillende soorten arbeid met verschillende begrippen definiëren. Wanneer de producent noodzakelijke arbeid verricht, produceert hij het noodzakelijke product. Wanneer hij meerarbeid verricht, produceert hij een maatschappelijk meerproduct.

Het maatschappelijk meerproduct is dus dat deel van de maatschappelijke productie, dat vervaardigd wordt door de klasse der producenten, maar door de heersende klasse, in welke vorm dan ook, wordt toegeëigend: hetzij in de vorm van goederen in natura, hetzij in de vorm van waren voor de verkoop, hetzij in de vorm van geld.

De meerwaarde is dus niets anders dan de geldvorm van het maatschappelijk meerproduct. Wanneer de heersende klasse zich het hierboven als ‘meerproduct’ aangeduide deel van de productie van een maatschappij uitsluitend in de vorm van geld toeeigent, spreekt men niet meer van meerproduct maar noemt men dit deel ‘meerwaarde’.

Dit is overigens niet meer dan een eerste benadering van de definitie van de meerwaarde, die wij in het vervolg opnieuw zullen onderzoeken. Wat is de oorsprong van het maatschappelijk meerproduct? Het maatschappelijk meerproduct is het product van de kosteloze toe-eigening (dus toe-eigening in een ruil zonder tegenwaarde) door de heersende klasse van een deel van de productie van de producerende klasse. Als de slaaf twee dagen per week op de plantage van de slavenhouder werkt en de eigenaar zich zonder enige vergoeding meester maakt van het gehele product van deze arbeid, is de oorsprong van dit maatschappelijk meerproduct de kosteloze arbeid, de arbeid die zonder beloning door de slaaf aan de slavenhouder wordt geleverd. Als de lijfeigene drie dagen per week op het land van zijn heer werkt, dan ligt de oorsprong van dit inkomen, van dit maatschappelijk meerproduct, wederom in onbeloonde, kosteloze arbeid die door de lijfeigene wordt geleverd.

We zullen nog zien, dat de oorsprong van de kapitalistische meerwaarde d.w.z. van het inkomen van de burgerlijke klasse in de kapitalistische maatschappij precies hetzelfde is: nl. onbeloonde, kosteloze arbeid, arbeid die door de proletariër, de loontrekker, zonder tegenwaarde aan de kapitalist wordt geleverd.

1.2. Waren, gebruikswaarde en ruilwaarde

Deze basisdefinities zijn de instrumenten waarmee we in alle drie de delen van deze inleiding zullen werken. We moeten er nog een paar aan toevoegen.

Normaal gesproken moet ieder product van menselijke arbeid een nut hebben, het moet voorzien in een menselijke behoefte. Men kan dus stellen dat ieder product van menselijke arbeid een gebruikswaarde bezit. De term ‘gebruikswaarde’ zal door mij overigens op twee verschillende manieren worden gebruikt. Wij spreken van dé gebruikswaarde van een waar, maar ook van gebruikswaarden, in de zin van: in een bepaalde maatschappij worden slechts gebruikswaarden geproduceerd, d.w.z. producten die bestemd zijn voor de directe consumptie van hen die ze zich toe-eigenen (producenten of heersende klasse).

Maar behalve deze gebruikswaarde kan het product van menselijke arbeid nog een andere waarde hebben, namelijk een ruilwaarde. Het product kan ook geproduceerd worden, niet voor de directe consumptie van de producenten of de bezittende klasse, maar om op de markt geruild, verkocht te worden. De producten voor de verkoop vormen geen productie van eenvoudige gebruikswaarden meer, maar een productie van waren.

Een waar is dus een product dat men niet creëert om het direct te verbruiken maar om op de markt te kunnen ruilen. Iedere waar moet dus zowel een gebruikswaarde als een ruilwaarde bezitten.

Zij moet een gebruikswaarde hebben omdat anders niemand bereid zou zijn haar te kopen, daar men een waar slechts koopt om haar uiteindelijk te kunnen consumeren om door deze koop een of andere behoefte te bevredigen. Als een waar voor niemand een gebruikswaarde bezit, is zij onverkoopbaar, is zij onnodig geproduceerd. Zij heeft geen ruilwaarde, juist omdat zij geen gebruikswaarde heeft.

Daarentegen heeft niet ieder product dat een gebruikswaarde bezit, noodzakelijk ook een ruilwaarde. In de eerste plaats heeft het slechts een ruilwaarde voor zover het wordt geproduceerd in een maatschappij die op ruil gebaseerd is, een maatschappij waarin de ruil algemeen beoefend wordt.

Bestaan er maatschappijen waarin de producten geen ruilwaarde hebben? Voorwaarde voor de ruilwaarde en a fortiori voor de handel en de markt is een bepaalde ontwikkelingsgraad van de arbeidsdeling. Willen de producten niet onmiddellijk door de producenten worden geconsumeerd, dan is het noodzakelijk dat niet ieder hetzelfde produceert. Wanneer in een bepaalde gemeenschap geen of slechts een uiterst rudimentaire arbeidsdeling bestaat, is er duidelijk geen reden waarom de ruil zou ontstaan. Normaal gesproken heeft een graanverbouwer niets wat hij met een andere graanverbouwer zou kunnen ruilen. Maar zodra er arbeidsdeling heerst en er contact bestaat tussen maatschappelijke groepen die producten produceren met een verschillende gebruikswaarde, kunnen ruilverhoudingen ontstaan, die, aanvankelijk incidenteel, later algemeen worden. Naast de producten die door hun producenten alleen voor de consumptie geproduceerd worden, komen er dan langzamerhand andere producten, die worden gemaakt om geruild te worden, waren.

In de kapitalistische maatschappij heeft de warenproductie, de productie van ruilwaarden, haar grootste verbreiding gevonden. Het is de eerste maatschappij in de geschiedenis van de mensheid, waarin het grootste deel van de productie uit waren bestaat.

Toch kan men niet zeggen, dat de hele productie in de kapitalistische maatschappij uit warenproductie bestaat. Er zijn twee categorieën producten, die eenvoudige gebruikswaarden blijven.

In de eerste plaats alles wat de boeren produceren voor hun eigen verbruik en wat onmiddellijk op de boerderijen die deze producten voortbrengen, geconsumeerd wordt. Men vindt deze productie voor eigen verbruik van de boeren zelfs nog in de hoogst ontwikkelde kapitalistische landen, zoals in de VS, maar zij vormt daar niet meer dan een klein gedeelte van de totale landbouwproductie. Hoe achterlijker de landbouw van een land is, des te groter is in het algemeen het deel van de landbouwproductie dat voor eigen verbruik is bestemd.

Dit is een grote moeilijkheid als men het nationaal inkomen van dergelijke landen nauwkeurig wil berekenen.

Een tweede categorie producten, die nog eenvoudige gebruikswaarden en geen waren van kapitalistisch karakter zijn, wordt gevormd door alles wat in het huishouden wordt gemaakt. Hoewel daaraan veel menselijke arbeid moet worden besteed, brengt deze gehele productie slechts gebruikswaarden voort en vormt geen productie van waren. Wanneer men soep klaarmaakt of knopen aannaait, produceert men wel, maar niet voor de markt.

Het ontstaan en later de regulering en veralgemening van de warenproductie heeft een radicale verandering teweeggebracht in de manier waarop de mensen werken en de maatschappij organiseren.

1.3. De marxistische leer van de vervreemding

Ongetwijfeld heeft u wel eens van de marxistische vervreemdingstheorie gehoord. Ontstaan, regulering en veralgemening van de warenproductie zijn nauw verbonden met de uitbreiding van dit vervreemdingsverschijnsel.

Op dit aspect van het vraagstuk kan hier niet uitvoerig worden ingegaan. Maar toch is het belangrijk dit probleem te begrijpen, want de op warenproductie berustende maatschappij omvat niet alleen het tijdperk van het kapitalisme, maar ook dat van de eenvoudige warenproductie. En er bestaat ook een postkapitalistische maatschappij die nog op warenproductie berust — de overgangsmaatschappij tussen kapitalisme en socialisme — de sovjetmaatschappij van thans, een maatschappij die nog grotendeels op de productie van ruilwaarden berust.

Wanneer men enkele fundamentele kenmerken van de warenmaatschappij begrijpt, ziet men ook in waarom bepaalde vervreemdingsverschijnselen niet overwonnen kunnen worden in de overgangstijd van kapitalisme naar socialisme, bijvoorbeeld in de huidige sovjetmaatschappij.

Maar het is duidelijk dat dit vervreemdingsverschijnsel niet voorkomt — althans niet in deze vorm — in een maatschappij die geen warenproductie meer kent, waar een elementaire eenheid bestaat tussen individueel leven en maatschappelijke activiteit. De mens werkt, en in het algemeen werkt hij niet afzonderlijk, maar in een collectief geheel van een min of meer organische structuur. Deze arbeid bestaat uit een directe omvorming van materiële dingen. Dat wil zeggen, dat de activiteit van de arbeid, de activiteit van de productie en de consumptie, en de verhoudingen tussen individu en maatschappij geregeld zijn door een zeker, min of meer duurzaam evenwicht.

Natuurlijk hoeft men de primitieve maatschappij niet mooier voor te stellen dan zij is, want vanwege haar extreme armoede staat zij voortdurend bloot aan alle mogelijke vormen van dwang, en aan periodieke catastrofen. Het evenwicht dreigt ieder ogenblik verstoord te worden door schaarste, ellende, natuurrampen enz. Maar in de perioden tussen deze catastrofen bestaat er, vanaf een bepaalde ontwikkelingsfase in de landbouw en onder gunstige klimatologische omstandigheden, een zekere eenheid, een zekere harmonie en evenwicht tussen bijna alle menselijke activiteiten.

Noodlottige gevolgen van de arbeidsdeling zoals de volledige scheiding tussen esthetische activiteiten, artistiek elan, creatieve ambitie, en de productieve, zich louter mechanisch herhalende activiteiten, komen in de primitieve maatschappij helemaal niet voor. Integendeel, de meeste kunsten, muziek en beeldhouwkunst evengoed als schilderkunst en dans, zijn oorspronkelijk met de productie, de arbeid verbonden. Het verlangen om de producten, die men individueel, in gezinsverband of ook in een grotere verwantschapsgroep consumeerde, een aangename fraaie vorm te geven, was normaal, harmonisch en organisch in de dagelijkse arbeid geïntegreerd.

De arbeid werd niet ervaren als een van buitenaf opgelegde verplichting, vooral niet omdat deze activiteit veel minder inspannend en uitputtend was dan de arbeid in de huidige kapitalistische maatschappij. Zij was namelijk beter afgestemd op het eigen ritme van het menselijk organisme en op het ritme van de natuur. Het aantal werkdagen bedroeg zelden meer dan honderdvijftig of tweehonderd per jaar, terwijl men in de kapitalistische maatschappij gevaarlijk dicht de driehonderd nadert of dit getal zelfs overschrijdt. Bovendien bestond er een eenheid tussen producent, product en consumptie. De producent produceerde in het algemeen slechts voor zijn eigen verbruik of voor dat van zijn verwanten. De arbeid behield daardoor een direct functioneel aspect. De moderne vervreemding ontstaat met name uit de scheiding van de producent van zijn product, die het gevolg is van de arbeidsdeling en de warenproductie. De producent werkt voor de markt, voor een onbekende consument en niet voor eigen consumptie.

De keerzijde van de medaille is, dat een maatschappij die slechts gebruikswaarden voortbrengt, en slechts goederen voor de directe consumptie van haar producenten produceert, in het verleden altijd een uitermate arme maatschappij is geweest. Een dergelijke maatschappij is niet alleen de speelbal van de wisselvalligheid van de natuurkrachten, maar zij beperkt ook de menselijke behoeften tot een minimum; zij is immers arm, en beschikt slechts over een beperkt scala van producten. De menselijke behoeften zijn slechts zeer gedeeltelijk aangeboren aan de mens. Er bestaat een voortdurende wisselwerking tussen productie en behoeften, tussen ontwikkeling van de productiekrachten en het ontstaan van nieuwe behoeften. Slechts in een maatschappij, die de arbeidsproductiviteit maximaal ontwikkelt en een onbegrensd scala van producten voortbrengt, kan ook de mens een voortdurende ontwikkeling kennen van zijn behoeften en al zijn oneindige mogelijkheden, een volledige ontwikkeling van zijn menselijkheid.

1.4. De waardewet

Een van de gevolgen van het ontstaan en de toenemende veralgemening van de warenproductie is, dat de arbeid zelf regelmatig begint te worden, tot iets dat gemeten kan worden, dat wil zeggen dat de arbeid niet langer een activiteit is, die geïntegreerd is in het ritme van de natuur en afgestemd is op het specifiek menselijk fysiologisch ritme.

Tot in de negentiende eeuw en misschien zelfs tot in de twintigste eeuw werkten de boeren in bepaalde streken van West-Europa niet regelmatig, niet iedere maand met dezelfde intensiteit. In enkele perioden van het werkjaar verrichten zij buitengewoon intensieve arbeid. Maar daarnaast bestaan er ook grote pauzes in hun activiteit, met name ‘s winters. Toen de kapitalistische maatschappij zich begon te ontwikkelen, vond ze in de meest achtergebleven delen van de landbouw van de meeste kapitalistische landen een bijzonder lonend reservoir aan arbeidskrachten. Deze arbeidskrachten, die slechts vier of zes maanden per jaar in de fabriek werkten, konden voor een veel lager loon werken, omdat in een deel van hun levensonderhoud werd voorzien door hun landbouwbedrijf, dat bleef bestaan.

Wanneer men meer ontwikkelde en welvarender boerderijen bekijkt, bijvoorbeeld rondom grote steden, boerderijen die eigenlijk bezig zijn te industrialiseren, vindt men een arbeid die veel regelmatiger en ook veel intensiever is, het hele jaar door regelmatig verricht wordt, zodat de ‘dode tijd’ steeds meer wordt opgeheven. Dat is niet alleen in onze tijd zo, dat gold reeds in de middeleeuwen, vanaf de twaalfde eeuw ongeveer. Hoe dichter men bij de stad, dat wil zeggen bij de markt kwam, hoe meer de arbeid van de boer een arbeid voor de markt, dus een warenproductie werd, en hoe meer zijn arbeid een geregeld karakter kreeg. Zij werd min of meer permanent, vergelijkbaar met de arbeid in een industriebedrijf.

Anders uitgedrukt: hoe algemener de warenproductie, hoe geregelder de arbeid en hoe meer ook de maatschappij georganiseerd wordt rond een op de arbeid gebaseerde boekhouding.

Wanneer men de reeds vrij vergevorderde arbeidsdeling van een gemeente in het begin van de ontwikkeling van de handel en het handwerk in de middeleeuwen onderzoekt, of gemeenschappen in de Byzantijnse, Arabische, Hindoestaanse, Chinese of Japanse samenleving, constateert men telkens weer verbaasd hoe verregaand landbouw en de diverse handwerkstechnieken geïntegreerd zijn. Men staat verbaasd over de regelmatigheid van de arbeid, zowel op het platteland als in de stad, waardoor de berekenbaarheid van de arbeid, de boekhouding in arbeidsuren, de motor wordt die de gehele activiteit en zelfs de structuur van deze gemeenschappen regelt. In het hoofdstuk over de waardewet in mijn Traité d’économie marxiste heb ik een hele reeks voorbeelden aangehaald van deze boekhouding in arbeidsuren. In bepaalde Indiase dorpen monopoliseert een bepaalde kaste de functie van smid, maar blijft tegelijk het land bewerken om zijn eigen voedsel te produceren. De volgende regel is daarbij ingevoerd: als de smid een werkgereedschap of een wapen voor een boerderij maakt, levert deze hem de grondstof, en gedurende de tijd dat de smid daaraan werkt, werkt de boer voor wie hij dit werktuig maakt op het land van de smid. Dat wil zeggen dat er een gelijkwaardigheid in arbeidsuren bestaat, die de ruil op heel doorzichtige wijze bepaalt.

In de Japanse dorpen van de middeleeuwen bestaat er in de dorpsgemeenschap in de letterlijke zin des woords een boekhouding in arbeidsuren. De dorpsboekhouder houdt een soort grootboek bij, waarin hij noteert hoeveel arbeidsuren de verschillende dorpsbewoners op elkaars velden verrichten. De landbouwproductie berust daar namelijk nog grotendeels op coöperatie: de oogst, het bouwen van boerderijen, en de veeteelt worden gemeenschappelijk gedaan. Uiterst nauwkeurig telt men het aantal werkuren, die de leden van de ene huisgemeenschap leveren voor de leden van een andere huisgemeenschap. Aan het einde van het jaar moet er een evenwicht zijn, dat wil zeggen de leden van huisgemeenschap B moeten voor huisgemeenschap A precies evenveel werkuren verricht hebben, als de leden van huisgemeenschap A in hetzelfde jaar hebben verricht voor de leden van huisgemeenschap B. De Japanners hebben deze methode — bijna duizend jaar geleden — zo zeer verfijnd, dat zij er zelfs rekening mee hielden dat kinderen een kleinere hoeveelheid arbeid leveren dan volwassenen. Een arbeidsuur van een kind was derhalve maar de helft van een ‘volwassen’ arbeidsuur ‘waard’. Op deze manier ontstond een heel boekhoudsysteem.

Een ander voorbeeld stelt ons in staat om de veralgemening van deze boekhouding, die op de economie van de arbeidstijd berust, direct te begrijpen: namelijk de omzetting van de feodale grondrente. In een feodale maatschappij kan het agrarisch meerproduct drie vormen aannemen: rente in de vorm van arbeid of herendienst, rente in natura, of rente in geld.

Toen men van herendienst op rente in natura overging, voltrok zich klaarblijkelijk een verandering. In plaats van drie dagen per week voor de feodale heer te werken, gaf de boer hem voortaan per oogstseizoen een bepaalde hoeveelheid tarwe of levend vee enz. Een tweede verandering voltrok zich, toen men van rente in natura overging op rente in de vorm van geld.

Deze twee veranderingen moesten op een tamelijk nauwkeurige boekhouding in arbeidsuren berusten, wilde niet een van de partijen direct schade lijden bij deze handelwijze. Als er ten tijde van de eerste verandering, wanneer de boer dus in plaats van honderdvijftig dagen per jaar voor de feodale heer te werken een hoeveelheid tarwe geeft, er in werkelijkheid slechts vijfenzeventig dagen nodig zouden zijn om deze hoeveelheid te produceren, dan zou de verandering van herendienst in belasting in natura leiden tot een plotselinge verarming van de feodale eigenaar en een zeer snelle verrijking van de lijfeigenen.

De grondbezitters — dat kan men hun wel toevertrouwen — zagen er ten tijde van deze veranderingen nauwkeurig op toe, dat de verschillende vormen van de rente dezelfde waarde hadden. De verandering kon uiteindelijk toch nog nadelig uitwerken voor een betrokken klasse.

Bijvoorbeeld voor de grondbezitter, wanneer er plotseling een stijging van de landbouwprijzen optrad, nadat de belasting in natura was omgezet in een belasting in geld. Maar dat was dan het resultaat van een langdurig historisch proces en niet van de omzetting zelf.

De oorsprong van deze economie, die op een boekhouding in arbeidstijd berustte, komt voorts duidelijk tot uiting in de arbeidsdeling tussen landbouw en handwerk binnen het dorp. Lange tijd blijft deze arbeidsdeling tamelijk rudimentair. Nog zeer lang blijft een deel van de boeren bepaalde kleren zelf vervaardigen. Deze tijd liep in West-Europa vanaf de opkomst van de middeleeuwse steden tot in de negentiende eeuw, dus bijna duizend jaar. Wat tevens inhoudt dat de techniek van het kleermaken voor de landbouwer weinig geheimen kende. Zodra echter regelmatige ruilverhoudingen tot stand komen tussen landbouwers en handwerkslieden die textiel vervaardigen, ontstaan eveneens regelmatige equivalenties (gelijkwaardigheden). Zo ruilt men bijvoorbeeld één el linnen tegen tien pond boter en niet tegen honderd pond. Het is dus duidelijk dat de boeren op grond van eigen ervaring de arbeidstijd kennen die ongeveer noodzakelijk is om een bepaalde hoeveelheid stof te vervaardigen.

Er zou onmiddellijk een wijziging in de arbeidsdeling optreden als er geen min of meer nauwkeurige equivalentie bestond voor de arbeidstijd, die nodig is om de hoeveelheid stof te vervaardigen, die tegen een bepaalde hoeveelheid boter geruild wordt. Wanneer het voor de producent lonender zou zijn om stof te vervaardigen dan boter, dan zou hij onmiddellijk van productie veranderen. Wat mogelijk is omdat bij de overgang naar een radicale arbeidsdeling de grenzen tussen de verschillende technieken nog vloeiend zijn, en men nog gemakkelijk van de ene economische activiteit naar de andere kon overspringen, zeker wanneer dat duidelijke materiële voordelen met zich meebracht.

In de middeleeuwse stad bestond er overigens een zeer kundig berekend evenwicht tussen de verschillende ambachten, dat in verdragen was neergelegd. De arbeidstijd die besteed werd aan de productie van de verschillende producten, was daarin haast tot op de minuut nauwkeurig vastgelegd. Onder deze voorwaarden was het onbestaanbaar, dat een schoenmaker of een smid dezelfde geldsom zou kunnen krijgen voor een product dat maar de helft van de arbeidstijd had gekost, die een wever of andere ambachtsman nodig zou hebben om in ruil voor zijn producten dezelfde som te krijgen.

Ook hier kunnen we het mechanisme van deze boekhouding in arbeidsuren heel goed zien: het functioneren van deze maatschappij op de grondslag van een economie van de arbeidstijd. Dit is een algemeen kenmerk van heel deze fase die men de eenvoudige warenproductie noemt. Zij vormt de schakel tussen een economie van goederen in natura, waarin slechts gebruikswaarden worden geproduceerd, en de kapitalistische maatschappij, waarin de productie van waren een onbeperkte uitbreiding bereikt.

1.5. De bepaling van de ruilwaarde van de waren

Wanneer men ziet dat de productie en de ruil van waren ontstonden en zich uitbreidden in een maatschappij die op een economie van de arbeidstijd en een boekhouding in arbeidsuren was gebaseerd, begrijpt men waarom de warenruil, op grond van haar oorsprong en eigen karakter op dezelfde boekhouding in arbeidsuren berust. De algemene regel die daaruit voortvloeit luidt daarom:

De ruilwaarde van een waar wordt bepaald door de hoeveelheid arbeid die noodzakelijk is om haar te produceren, waarbij deze hoeveelheid arbeid gemeten wordt aan de duur van de arbeidstijd waarin de waar geproduceerd is.

Er moeten enkele nadere preciseringen aan deze algemene definitie, die de grondslag is van de arbeidswaardeleer, worden toegevoegd. Zij was zowel het uitgangspunt van de klassieke burgerlijke politieke economie tussen de zeventiende en het begin van de negentiende eeuw, van William Petty tot Ricardo, als ook van de marxistische economische theorie, die deze arbeidswaardeleer heeft uitgewerkt en vervolmaakt.

Eerste precisering: De mensen bezitten geen gelijk arbeidsvermogen, bezitten niet allemaal dezelfde energie, en ze zijn niet allemaal even vakbekwaam. Als de ruilwaarde van de waren alleen zou afhangen van de hoeveelheid arbeid, die individueel, dus feitelijk door ieder willekeurig individu besteed wordt om een waar te produceren, zou men in een absurde situatie terechtkomen: hoe trager of onbekwamer een producent zou zijn, hoe meer uren hij nodig zou hebben om een paar schoenen te maken, des te groter zou de waarde van deze schoenen zijn! Dat is natuurlijk onmogelijk. De ruilwaarde is geen beloning voor het feit dat men zo goed geweest is te hebben willen werken! Veeleer vormt zij een objectieve band tussen onafhankelijke producenten, om in een maatschappij die zowel op arbeidsdeling als op de economie van de arbeidstijd berust, de gelijkheid tussen alle beroepen tot stand te brengen. In zo’n maatschappij kan verspilling van de arbeid niet beloond worden, maar wordt integendeel automatisch bestraft. Wie meer arbeidsuren gebruikt om een paar schoenen te maken dan gemiddeld noodzakelijk is — waarbij dit noodzakelijk gemiddelde door de gemiddelde arbeidsproductiviteit bepaald wordt, zoals die bijvoorbeeld in de ‘Chartes des Métiers’ [1] neergelegd is — heeft dus menselijke arbeid verspild. Hij heeft een aantal van deze arbeidsuren voor niets gewerkt. En in ruil voor deze verspilde uren krijgt hij helemaal niets terug.

Met andere woorden: de ruilwaarde van een waar wordt niet bepaald door de hoeveelheid arbeid, die door iedere individuele producent aan de productie ervan wordt besteed, maar door de hoeveelheid arbeid, die maatschappelijk noodzakelijk is om haar te produceren. De formule ‘maatschappelijk noodzakelijk’ wil zeggen: de hoeveelheid arbeid die onder de gemiddelde voorwaarden van de arbeidsproductiviteit in een bepaalde periode in een bepaald land noodzakelijk is.

Deze precisering heeft overigens zeer belangrijke praktische consequenties, wanneer men het functioneren van de kapitalistische maatschappij nader onderzoekt.

Maar er is nog een tweede precisering nodig. Wat betekent de term ‘hoeveelheid arbeid’ precies? Er zijn arbeiders met verschillende kwalificaties. Bestaat er een volledige gelijkwaardigheid van de arbeidsuren van iedereen, onafhankelijk van zijn kwalificatie? Nogmaals, het gaat hier geenszins om een morele kwestie, maar uitsluitend om de immanente logica van een maatschappij, die op de gelijkheid tussen de beroepen en de gelijkheid op de markt gebaseerd is, en waarin ongelijke voorwaarden het maatschappelijk evenwicht onmiddellijk zouden verbreken.

Wat zou er bijvoorbeeld gebeuren wanneer het arbeidsuur van een handarbeider niet minder, maar méér waarde zou produceren dan het arbeidsuur van een gekwalificeerde arbeider, die een vier- of zesjarige opleiding nodig gehad heeft om zijn kwalificatie te verwerven? Natuurlijk zou niemand zich meer laten opleiden. De arbeidsuren die besteed worden om de kwalificatie te verwerven, zouden totaal voor niets besteed zijn, in ruil waarvoor de leerling, eenmaal gekwalificeerd arbeider geworden, geen tegenwaarde meer zou krijgen.

Om te bereiken dat jonge mensen zich in een economie, die op de boekhouding in arbeidsuren berust, voor een vak willen laten opleiden, moet de tijd die zij verloren hebben om hun kwalificatie te verkrijgen, worden beloond, en moeten zij in ruil voor deze tijd een tegenwaarde krijgen. Onze definitie van de ruilwaarde van een waar moet dus als volgt worden aangevuld: ‘Het arbeidsuur van een gekwalificeerde arbeider moet als complexe, als samengestelde arbeid worden beschouwd, als een veelvoud van het arbeidsuur van een handarbeider, waarbij de vermenigvuldigingscoëfficiënt natuurlijk niet willekeurig is, maar eenvoudig gebaseerd is op de verwervingskosten van de kwalificatie.’

Terloops zij opgemerkt dat er tijdens de stalinistische periode in de Sovjet-Unie altijd een kleine onduidelijkheid bestaan heeft in de interpretatie van de samengestelde arbeid, welke tot op de dag van vandaag nog niet is opgehelderd. Men zegt in de Sovjet-Unie altijd dat de beloning van de arbeid zich moet richten naar de kwantiteit en de kwaliteit van de geleverde arbeid. Maar het begrip kwaliteit wordt niet meer opgevat in de marxistische betekenis van het woord, dat wil zeggen als een met een bepaalde vermenigvuldigingscoëfficiënt kwantitatief meetbare kwaliteit. Het begrip wordt integendeel in een burgerij-ideologische zin gebruikt: de kwaliteit van de arbeid wordt zogenaamd bepaald door haar maatschappelijke nuttigheid. Op deze wijze rechtvaardigt men dat een maarschalk, een ballerina of de directeur van een trust een inkomen genieten dat tienmaal zo hoog is als dat van een handarbeider.

Dat is niets anders dan een apologetische theorie om de zeer grote ongelijkheid in de beloning te rechtvaardigen, die in de stalinistische periode bestond en die, zij het in mindere mate, in de Sovjet-Unie nog altijd bestaat.

De ruilwaarde van een waar wordt dus bepaald door de hoeveelheid arbeid, die maatschappelijk noodzakelijk is om haar te produceren. De gekwalificeerde arbeid wordt als een veelvoud van de eenvoudige arbeid beschouwd, vermenigvuldigd met een min of meer meetbare coëfficiënt.

Dat is de kern van de marxistische waardeleer. Zij vormt de grondslag van de marxistische economische theorie in het algemeen. Evenzo vormt de eerder behandelde theorie van het maatschappelijk meerproduct en de meerarbeid de grondslag van de marxistische sociologie. Zij is de brug tussen de sociologische en historische analyse van Marx, zijn klassentheorie en zijn theorie van de ontwikkeling van de maatschappij in het algemeen enerzijds, en de marxistische economische theorie of — juister gezegd — de analyse van de voorkapitalistische, kapitalistische en postkapitalistische warenmaatschappij anderzijds.

1.6. Wat is maatschappelijk noodzakelijke arbeid?

We zagen reeds, dat de bijzondere definitie van de hoeveelheid arbeid, die maatschappelijk noodzakelijk is om een waar te produceren, een heel bijzondere en uiterst belangrijke praktische consequentie voor de analyse van de kapitalistische maatschappij heeft. Het is, geloof ik, beter dit probleem hier te behandelen, hoewel het logisch thuishoort in het tweede deel.

Het totaal van alle waren in een land in een bepaalde periode wordt geproduceerd om de behoeften van het totaal van alle leden van deze maatschappij te bevredigen. Want een waar die in niemands behoefte zou voorzien en voor niemand gebruikswaarde zou hebben, zou bij voorbaat onverkoopbaar zijn en geen ruilwaarde hebben. Zij zou geen waar meer zijn, maar eenvoudig het product van de gril, het belangeloze spel van een producent. Bovendien moet de som van de koopkracht in deze bepaalde maatschappij op een bepaald moment op de markt worden uitgegeven, zij mag dus niet worden opgepot; wil er een economisch evenwicht bestaan, dan moet de koopkracht bestemd worden om de som van deze geproduceerde waren te kopen. Dit evenwicht impliceert dus dat het totaal van de maatschappelijke productie, de som van de productiekrachten en de arbeidsuren waarover deze maatschappij beschikt, over de verschillende industrietakken verdeeld wordt evenredig aan de wijze waarop de consumenten hun koopkracht over hun verschillende betaalbare behoeften verdelen. Wanneer de verdeling van de productiekrachten niet meer met deze verdeling van behoeften overeenstemt, is het economisch evenwicht verbroken, en treden naast elkaar overproductie en onderproductie op.

Laten we een wat banaal voorbeeld nemen: tegen het einde van de negentiende eeuw en in het begin van de twintigste bestond in een stad als Parijs een uitgebreide rijtuigindustrie, en de productie van diverse goederen die met het vervoer met paardenspannen samenhingen. Duizenden, zoniet tienduizenden arbeiders vonden daarin werk.

Tegelijkertijd ontstaat de auto-industrie, die aanvankelijk nog maar een zeer bescheiden omvang heeft. Maar zij verschaft reeds werk aan tientallen instructeurs en een paar duizend arbeiders.

Wat gebeurt er nu in deze tijd? Het gebruik van paardetractie begint af te nemen en het aantal auto’s neemt toe. Er is dus enerzijds de productie voor het vervoer met paardenspan, die tendeert naar een overschrijding van de maatschappelijke behoeften — dat wil zeggen van de wijze waarop de Parijse bevolking haar koopkracht verdeelt; en er is anderzijds de autoproductie, die achterblijft bij de maatschappelijke behoeften. Vanaf haar ontstaan tot aan de invoering van serieproductie bevond de auto-industrie zich in een klimaat van schaarste: er waren minder auto’s dan er vraag was op de markt.

Hoe kan men deze verschijnselen uitdrukken in termen van de arbeidswaardeleer?

Men kan het zo formuleren dat in de sector van de rijtuigindustrie meer arbeid werd besteed dan maatschappelijk noodzakelijk was. Een deel van de arbeid, die in de totale rijtuigindustrie geleverd werd, was maatschappelijk verspilde arbeid. Zij vond geen tegenwaarde meer op de markt, produceerde dus onverkoopbare waren.

Wanneer in de kapitalistische maatschappij waren onverkoopbaar zijn, betekent dat, dat men in een bepaalde industrietak menselijke arbeid geïnvesteerd heeft, die geen maatschappelijk noodzakelijke arbeid blijkt te zijn, waarvoor dus als tegenwaarde geen koopkracht op de markt bestaat. Maatschappelijk niet noodzakelijke arbeid is verspilde arbeid die geen waarde voortbrengt. We zien dus dat het begrip maatschappelijk noodzakelijke arbeid een hele reeks verschijnselen omvat.

Voor de producten van de rijtuigindustrie overtreft het aanbod de vraag, de prijzen dalen en de waren blijven onverkoopbaar. In de auto-industrie daarentegen overtreft de vraag het aanbod. Daarom stijgen de prijzen en is er sprake van onderproductie. Als men zich met deze banaliteiten over vraag en aanbod tevreden zou stellen, zou men blijven staan bij het psychologische en individuele aspect van het vraagstuk, maar als men het collectieve en maatschappelijke aspect onderzoekt, begrijpt men wat zich in een maatschappij, die op de grondslag van de arbeidstijdeconomie georganiseerd is, achter deze oppervlakkige verschijnselen verbergt. Als het aanbod de vraag overtreft betekent dat, dat de kapitalistische productie, die een anarchistische, niet geplande, niet georganiseerde productiewijze is, meer arbeidsuren in een industrietak geïnvesteerd, uitgegeven heeft dan maatschappelijk noodzakelijk was, en dat ze dus een reeks arbeidsuren voor niets geleverd heeft. Zij heeft derhalve menselijke arbeid verspild, en deze verspilde menselijke arbeid wordt door de maatschappij niet beloond. Omgekeerd krijgt een industrietak waarvoor de vraag het aanbod overtreft, en die in verhouding tot de maatschappelijke behoeften als het ware nog onderontwikkeld is en minder arbeidsuren besteedt dan maatschappelijk noodzakelijk is, van de maatschappij een premie om zijn productie op te voeren en met de maatschappelijke behoeften in evenwicht te brengen.

Dit is één aspect van het probleem van de maatschappelijke arbeid in het kapitalistische systeem. Het andere is nauwer verbonden met de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit. Het is hetzelfde, maar geabstraheerd van de maatschappelijke behoeften en van het ‘gebruikswaarde’-aspect van de productie.

In het kapitalistische systeem is de arbeidsproductiviteit voortdurend in beweging. Er zijn grof gezegd drie soorten ondernemingen (of industrietakken): die welke technologisch in overeenstemming zijn met het maatschappelijk gemiddelde; die welke achterlijk en verouderd zijn, in ontwikkelingstempo achterblijven en beneden het maatschappelijk gemiddelde liggen; en ondernemingen die technologisch aan de top staan en een meer dan gemiddelde productiviteit bezitten.

Wat wil dat zeggen: een bedrijf of een industrietak die technologisch achtergebleven is, waarvan de arbeidsproductiviteit beneden de gemiddelde arbeidsproductiviteit ligt? U kunt zich dat voorstellen aan de hand van het eerder aangehaalde voorbeeld van de luie schoenmaker. We hebben dus te maken met een industrietak of een bedrijf, dat in plaats van een bepaalde hoeveelheid waren in drie arbeidsuren te produceren, zoals het maatschappelijk productiviteitsgemiddelde op dat moment vereist, hiervoor vijf arbeidsuren nodig heeft. De twee aanvullende arbeidsuren zijn voor niets besteed. Zij zijn verspilde maatschappelijke arbeid, verspilling van een deel van de totale arbeid die de maatschappij tot haar beschikking heeft. En in ruil voor deze verspilde arbeid zal dit bedrijf geen enkele tegenwaarde van de maatschappij krijgen. Dit betekent dus dat de verkoopprijs van deze industrie of onderneming, die onder het productiviteitsgemiddelde werkt, de kostprijs benadert of zelfs beneden de kostprijs daalt. Zij werkt dus met een zeer kleine winstvoet of zelfs met verlies.

Het omgekeerde geldt voor een bedrijf of industrietak waarvan het productiviteitsniveau boven het gemiddelde ligt (overeenkomstig de schoenmaker die twee paar schoenen in drie uur kan maken, terwijl het maatschappelijk gemiddelde één paar per drie uur bedraagt). Deze onderneming of industrietak bespaart maatschappelijke arbeid en zal daarvoor een meerwinst krijgen. Het verschil tussen verkoopprijs en kostprijs zal bij haar boven de gemiddelde winst liggen.

Het streven naar deze meerwinst is natuurlijk de motor van de hele kapitalistische economie. Iedere kapitalistische onderneming wordt door de concurrentie gedwongen te streven naar vergroting van de winst, want alleen onder deze voorwaarden kan zij haar technologie en arbeidsproductiviteit constant blijven verbeteren. Alle firma’s worden dus deze kant opgedreven, wat impliceert dat een productiviteit die aanvankelijk boven het gemiddelde lag, tenslotte weer gemiddelde productiviteit wordt. In dat geval verdwijnt de meerwinst. De hele strategie van de kapitalistische industrie komt voort uit dit verlangen van iedere onderneming om in een bepaald land een meer dan gemiddelde productiviteit te bereiken, om een meerwinst te kunnen behalen. Dit brengt weer een beweging op gang, die de meerwinst doet verdwijnen door de tendens tot voortdurende stijging van de gemiddelde arbeidsproductiviteit. Op deze wijze komt men tot de tendentiële nivellering van de winstvoet.

1.7. Oorsprong en karakter van de meerwaarde

Wat is meerwaarde? Vanuit het standpunt van de marxistische waardeleer kan men deze vraag nu als volgt beantwoorden. De meerwaarde is niets anders dan de geldvorm van het maatschappelijk meerproduct, dat wil zeggen de geldvorm van dat deel van de productie van de proletariër, dat aan de eigenaar van de productiemiddelen zonder tegenwaarde wordt afgestaan.

Hoe komt deze afstand in de praktijk in de kapitalistische maatschappij tot stand? Zij komt tot stand door middel van de ruil, zoals alle belangrijke handelingen in de kapitalistische maatschappij, die altijd ruilverhoudingen zijn. De kapitalist koopt de arbeidskracht van de arbeider, en in ruil voor dit arbeidsloon eigent hij zich het gehele product toe dat door de arbeider gemaakt is, met inbegrip van nieuw geproduceerde waarde die in de waarde van dit product is opgenomen.

We kunnen dus zeggen dat de meerwaarde het verschil is tussen de waarde die door de arbeider wordt geproduceerd en de waarde van zijn eigen arbeidskracht. Wat is de waarde van de arbeidskracht?

Deze arbeidskracht is in de kapitalistische maatschappij een waar; en zoals de waarde van alle waren, bestaat haar waarde in de hoeveelheid arbeid die maatschappelijk noodzakelijk is om haar te produceren en te reproduceren. In dit geval zijn dit de kosten van levensonderhoud van de arbeider in de ruime betekenis van het woord.

De begrippen minimumloon en gemiddeld loon zijn geen onveranderlijke fysiologische begrippen. Zij omvatten behoeften die met de vooruitgang van de arbeidsproductiviteit veranderen, en in het algemeen de tendens vertonen met de technische vooruitgang toe te nemen. Zij kunnen dus niet nauwkeurig over verschillende perioden met elkaar worden vergeleken. Men kan het minimumloon uit 1830 niet kwantitatief vergelijken met dat van 1960. De theoretici van de Franse communistische partij hebben dit tot hun schade moeten ondervinden.[2] Men kan de prijs van een motor in 1960 niet vergelijken met de prijs van een bepaald aantal kilo vlees in 1830, om daaruit dan de conclusie te trekken dat het eerste minder ‘waard’ is dan het laatste.

Dus nogmaals: de kosten om de arbeidskracht in stand te houden, vormen de waarde van de arbeidskracht. De meerwaarde is bijgevolg het verschil tussen de door arbeidskracht geproduceerde waarde en zijn eigen kosten van levensonderhoud.

De door de arbeidskracht geproduceerde waarde is eenvoudig meetbaar door de arbeidsduur. Als een arbeider tien uur werkt, heeft hij een waarde van tien arbeidsuren geproduceerd. Als de kosten van levensonderhoud van de arbeider, dat wil zeggen het equivalent van zijn loon, eveneens tien arbeidsuren zouden vertegenwoordigen, zou er geen meerwaarde zijn. Dit is slechts een bijzonder geval van een algemene regel: wanneer het totale arbeidsproduct gelijk is aan het product dat noodzakelijk is om de producent te voeden en te onderhouden, is er geen maatschappelijk meerproduct.

Maar in het kapitalistische systeem is de graad van arbeidsproductiviteit zo hoog, dat de kosten van levensonderhoud van de arbeider altijd lager zijn dan de hoeveelheid nieuw geproduceerde waarde. Dat betekent dat een arbeider die tien uur werkt, niet de tegenwaarde van tien arbeidsuren nodig heeft om zich volgens de gemiddelde behoeften van zijn tijd in leven te houden. De tegenwaarde van het loon vertegenwoordigt nooit meer dan een fractie van de arbeidsdag. Al wat boven dit gedeelte uitgaat is de meerwaarde, de kosteloze arbeid die de arbeider levert en die de kapitalist zich zonder enige tegenwaarde toeeigent. Trouwens als dit verschil niet bestond, zou geen enkele ondernemer een arbeider in dienst nemen, want het kopen van arbeidskracht zou hem geen winst opleveren.

1.8. De geldigheid van de arbeidswaardeleer

Tot slot drie traditionele bewijzen voor de geldigheid van de arbeidswaardeleer.

Het eerste is het analytisch bewijs, of, zo men wil, de ontleding van de prijs van elke waar in haar bestanddelen.

Van iedere waar kan de prijs tot een aantal bestanddelen worden teruggevoerd: de afschrijving van machines en gebouwen, wat we de vernieuwing van het vaste kapitaal noemen; de prijs van de grondstoffen en de hulpstoffen; het arbeidsloon; en tenslotte al wat onder de meerwaarde valt: winst, rente, huur, belastingen enz.

We zagen reeds dat de beide laatste bestanddelen, het loon en de meerwaarde, uitsluitend uit arbeid, zuivere arbeid bestaan. De prijs van de grondstoffen is voor een groot deel tot arbeid terug te voeren; meer dan 60 % van de kostprijs van kolen bijvoorbeeld bestaat uit lonen. Ontleedt men om te beginnen de gemiddelde kostprijs van de waren in 40 % loon, 20 % meerwaarde, 30 % grondstoffen en 10 % vast kapitaal, en neemt men aan dat 60 % van de kostprijs van grondstoffen tot arbeid kan worden herleid, dan kan men reeds 78 % van de totale kostprijs tot arbeid terugbrengen. De rest van de kostprijs van grondstoffen valt uiteen in prijzen van andere grondstoffen — ook deze zijn tot 60 % arbeid te herleiden — en kosten van machineafschrijvingen. De prijs van machines bestaat voor een groot deel uit arbeid (b.v. 40 %) en grondstoffen (b.v. 40 %). Het aandeel van de arbeid in de gemiddelde prijs van alle waren wordt zo verhoogd tot 83, 87, 89,5 % enz. Het is duidelijk dat, hoe verder we met deze ontleding gaan, hoe meer de gehele prijs er naar tendeert zich tot arbeid — en alleen tot arbeid — te herleiden.

Het tweede bewijs is het logische bewijs; wij vinden het in het begin van Het Kapitaal van Marx, waar het niet weinig lezers tot wanhoop gebracht heeft, want het is niet bepaald de eenvoudigste pedagogische manier om het probleem te benaderen.

Marx stelt het probleem als volgt: er bestaat een groot aantal waren. Deze waren zijn onderling ruilbaar, wat impliceert dat zij een gemeenschappelijke eigenschap moeten hebben. Want alles wat ruilbaar is, is vergelijkbaar, en alles wat vergelijkbaar is, moet minstens één gemeenschappelijke eigenschap hebben. Dingen die geen enkele gemeenschappelijke eigenschap hebben, zijn per definitie onvergelijkbaar.

Laten we nu de afzonderlijke waren bezien. Wat zijn hun eigenschappen? In de eerste plaats bezitten ze een onbeperkte reeks natuurlijke eigenschappen: gewicht, lengte, dichtheid, kleur, breedte, moleculaire samenstelling, kortom al hun natuurlijke, fysische, chemische enz. eigenschappen. Kan een van deze fysische eigenschappen ten grondslag liggen aan hun vergelijkbaarheid als waar, en de gemeenschappelijke maat van hun ruilwaarde zijn? Het gewicht bijvoorbeeld?

Kennelijk niet, want een kilo boter heeft niet dezelfde waarde als een kilo goud. Of het volume? De lengte misschien? Voorbeelden tonen onmiddellijk aan dat geen van deze eigenschappen de gemeenschappelijke maat voor de ruilwaarde kan zijn. Kortom alle natuurlijke eigenschappen van een waar, hun fysische en scheikundige eigenschappen bepalen wel hun gebruikswaarde, hun relatieve nut, maar niet hun ruilwaarde. De ruilwaarde moet dus abstraheren van alle natuurlijke en fysische eigenschappen van de waar.

In al deze waren moet een gemeenschappelijke eigenschap worden gevonden, die niet van fysische aard is. Marx komt tot de slotsom: de enige gemeenschappelijke, niet fysische eigenschap van al deze waren bestaat hierin, dat ze alle producten zijn van menselijke arbeid, en wel menselijke arbeid in de abstracte betekenis van het woord.

Men kan de menselijke arbeid op twee verschillende manieren beschouwen. Men kan haar zien als specifieke concrete arbeid: de arbeid van de bakker, de arbeid van de slager, de arbeid van de schoenmaker, van de wever, de smid enz. Maar zolang men haar slechts beschouwt als specifieke concrete arbeid, beschouwt men haar juist als arbeid die alleen maar gebruikswaarden voortbrengt. Men ziet dan slechts de fysische eigenschappen, op grond waarvan de waren onvergelijkbaar zijn. Het enige vergelijkbare dat de waren onderling, vanuit het gezichtspunt van de ruilwaarde hebben, is, dat ze alle zijn voortgebracht door abstracte menselijke arbeid. Dat wil zeggen zij zijn geproduceerd door producenten die onderling verbonden zijn door equivalentieverhoudingen, die hierop berusten, dat ze allen waren produceren om te ruilen. Het feit dus, dat ze product van abstracte menselijke arbeid zijn, is de gemeenschappelijke eigenschap van waren, die de maat levert voor hun ruilwaarde, die het mogelijk maakt dat ze geruild worden. Deze eigenschap van de arbeid, dat zij maatschappelijk noodzakelijk is om waren te produceren, bepaalt dus de ruilwaarde van deze waren.

Wij voegen hier onmiddellijk aan toe dat deze bewijsvoering van Marx abstract en tamelijk moeilijk is. Zij heeft op zijn minst tot een vraagteken geleid, dat talloze critici van het marxisme — overigens zonder veel succes — hebben proberen uit te buiten.

Is het feit dat ze door abstracte menselijke arbeid geproduceerd zijn — afgezien van hun natuurlijke eigenschappen — werkelijk de enige gemeenschappelijke eigenschap van alle waren? Niet weinig auteurs hebben gemeend nog andere te kunnen ontdekken. In het algemeen kunnen deze echter altijd worden herleid hetzij tot fysische eigenschappen, hetzij tot het feit dat ze het product van abstracte arbeid zijn.

Een derde en laatste bewijs voor de juistheid van de arbeidswaardeleer is het bewijs uit het ongerijmde, dat overigens het elegantste en ‘modernste’ is.

Stellen wij ons een ogenblik een maatschappij voor, waarin de levende menselijke arbeid volkomen verdwenen zou zijn, waarin dus de hele productie voor honderd procent geautomatiseerd is. Zolang men nog in een overgangsfase zit — zoals wij die op dit moment kennen —, waarin naast reeds volledig geautomatiseerde arbeid, dat wil zeggen naast enkele fabrieken, die geen arbeiders meer in dienst hebben, er andere zijn waarin nog altijd menselijke arbeid wordt gebruikt, is er geen bijzonder theoretisch probleem. We hebben dan slechts te maken met het probleem van de overdracht van meerwaarde van de ene onderneming naar de andere. Dit is een illustratie van de wet van de nivellering van de winstvoet, die we in het volgende hoofdstuk zullen onderzoeken.

Maar laten we deze ontwikkeling van de automatisering in al haar consequenties doortrekken. De menselijke arbeid is volledig uitgeschakeld uit alle vormen van productie en dienstverlening. Kan onder deze voorwaarden nog ruilwaarde bestaan? Wat zou dat voor een maatschappij zijn, waarin niemand meer inkomsten zou hebben, maar de waren nog steeds een ruilwaarde zouden hebben en verkocht worden? Een dergelijke situatie zou duidelijk absurd zijn.

Men zou een geweldige hoeveelheid producten produceren, waarvan de productie geen enkel inkomen creëert. Aan deze productie zou immers geen mens te pas komen. Maar deze producten, waarvoor geen enkele koper meer is, zou men willen ‘verkopen’! Het is evident dat in zo’n maatschappij de distributie van de producten niet meer in de vorm van warenverkoop plaats zou kunnen vinden; in deze maatschappij zou verkoop überhaupt absurd zijn vanwege de door algemene automatisering geproduceerde overvloed.

Met andere woorden: een maatschappij waarin de menselijke arbeid volkomen uit de productie in de ruimste zin, dus ook de dienstverlening, uitgeschakeld is, dat is een maatschappij, waarin ook de ruilwaarde is verdwenen. Dit is wel een bewijs voor de juistheid van de theorie, dat op het moment waarop de menselijke arbeid uit de productie verdwijnt, ook de waarde verdwijnt.

Hoofdstuk 2

Kapitaal en kapitalisme

2.1. Het kapitaal in de voorkapitalistische maatschappij

Tussen de primitieve maatschappij, die nog gebaseerd was op een ‘natuur-economie’, waarin slechts voor de eigen consumptie van de producenten bestemde gebruikswaarden werden voortgebracht, en de kapitalistische maatschappij, ligt een lange periode van de geschiedenis der mensheid, die alle menselijke beschavingen tot aan het begin van het kapitalisme omvat. Het marxisme definieert haar als de maatschappij van de eenvoudige warenproductie. Dat is dus een maatschappij die de warenproductie reeds kent, dat wil zeggen een productie van goederen, die niet voor onmiddellijke consumptie van de producenten, maar voor ruil op de markt bestemd zijn. Deze warenproductie is echter nog geen algemene regel, zoals in de kapitalistische maatschappij.

In een op eenvoudige warenproductie gebaseerde maatschappij bestaan twee soorten economisch handelen. De boeren en handwerkslieden komen met hun arbeidsproduct naar de markt om waren te verkopen, waarvan zij de gebruikswaarde niet onmiddellijk kunnen gebruiken. Zij doen dat om geld te krijgen, d.w.z. een ruilmiddel waarmee zij andere waren kunnen kopen, waarvan de gebruikswaarde hun ontbreekt of in hun ogen belangrijker is dan de gebruikswaarde van de waren waarvan zij eigenaar zijn.

De boer gaat met graan naar de markt, hij verkoopt het voor geld en met dit geld koopt hij b.v. linnen. De wever komt met linnen naar de markt, hij verkoopt dit voor geld en met dit geld koopt hij b.v. graan. We hebben dus het volgende patroon: verkopen om te kopen; waar — geld — waar, W — G — W; wezenlijk kenmerk van deze formule is dat de waarde aan het begin en het eind per definitie precies gelijk is.

Maar in de eenvoudige warenproductie komt naast de handwerkslieden en de kleine boeren een ander type op, dat heel andere economische handelingen verricht: in plaats van te verkopen om te kopen, koopt hij om te verkopen. Deze man begeeft zich zonder waren naar de markt. Hij bezit geld. Geld kan men niet verkopen, maar men kan het gebruiken om te kopen, en dat doet hij ook: kopen om te verkopen, om weer te kunnen doorverkopen: G — W — G’.

Tussen deze twee economische handelingen bestaat een fundamenteel onderscheid. De tweede handeling is immers zinloos, als de waarde aan het eind exact hetzelfde zou zijn als aan het begin. Niemand koopt een waar om haar voor precies dezelfde prijs waarvoor hij haar gekocht heeft, weer door te verkopen. De handeling ‘kopen om te verkopen’ heeft alleen zin, als de verkoop een toevoeging van waarde, een meerwaarde, oplevert. Daarom zeggen we dat G’ per definitie groter is dan G, en bestaat uit G en g, waarbij g staat voor de meerwaarde, waarmee de waarde van G is toegenomen. We kunnen kapitaal nu definiëren als een waarde, die wordt vermeerderd met een meerwaarde. Dit kan gebeuren tijdens de warencirculatie, zoals in het voorbeeld dat we zojuist gaven, of tijdens de productie, wat in het kapitalistische systeem het geval is. Kapitaal is dus iedere waarde die wordt vermeerderd met een meerwaarde, en dit kapitaal bestaat niet alleen in de kapitalistische maatschappij, maar ook in de maatschappij die op een eenvoudige warenproductie is gebaseerd. We moeten dus een duidelijk onderscheid maken tussen kapitaal en kapitalistische productiewijze, dat wil zeggen het bestaan van een kapitalistische maatschappij. Het kapitaal is veel ouder dan de kapitalistische productiewijze. Kapitaal bestaat naar schatting reeds ongeveer drieduizend jaar, de kapitalistische productiewijze is daarentegen nauwelijks tweehonderd jaar oud.

Wat is de vorm van het kapitaal in de voorkapitalistische maatschappij? In wezen de vorm van het woeker- en handelskapitaal. De overgang van de voorkapitalistische naar de kapitalistische maatschappij wordt gekenmerkt door het feit dat het kapitaal binnendringt in de sfeer van de productie. De kapitalistische productiewijze is de eerste productiewijze en maatschappelijke organisatievorm, waarin het kapitaal zich niet meer uitsluitend beperkt tot een bemiddelende rol en slechts profiteert van niet-kapitalistische productievormen, die nog op eenvoudige warenproductie gebaseerd zijn, maar waarin het zich de productiemiddelen heeft toegeëigend en in de productie zelf is doorgedrongen.

2.2. Oorsprong van de kapitalistische productiewijze

Wat is de oorsprong van de kapitalistische productiewijze en van de kapitalistische maatschappij, zoals zij zich sedert tweehonderd jaar ontwikkelt?

In de eerste plaats moet de scheiding van de producenten van hun productiemiddelen worden genoemd; vervolgens het proces waarin deze productiemiddelen tot een monopolie worden in de handen van één enkele sociale klasse, de bourgeoisie; tenslotte het ontstaan van een nieuwe sociale klasse, die van de productiemiddelen gescheiden is en dus geen andere mogelijkheid heeft om in haar levensonderhoud te voorzien dan haar arbeidskracht te verkopen aan de klasse die de productiemiddelen heeft gemonopoliseerd.

Laten we deze oorsprongen van de kapitalistische productiewijze, die tegelijkertijd de wezenskenmerken van het kapitalistisch systeem zelf zijn, elk afzonderlijk onderzoeken.

Eerste kenmerk: scheiding van de producent van zijn productiemiddelen. Dit is de grondvoorwaarde voor het bestaan van het kapitalistisch systeem, die echter het minst begrepen is. Laten we een voorbeeld nemen dat misschien paradoxaal aandoet: de maatschappij van de hoge middeleeuwen, die gekenmerkt werd door lijfeigenschap.

We weten dat het merendeel van de boerenproducenten toen lijfeigene was en aan de grond gebonden. Maar als men zegt dat de lijfeigene aan de grond gebonden is, dan impliceert dat tevens, dat de grond is gebonden aan de lijfeigene. Hij behoort dus tot een sociale klasse, die in ieder geval een materiële basis had om in haar behoeften te voorzien; want de lijfeigene beschikte over genoeg grond om zelfs met de meest primitieve instrumenten met zijn eigen handen te kunnen voorzien in de belangrijkste behoeften van zijn huishouden. We hebben hier dus niet te maken met mensen, die gedoemd zijn van honger om te komen als ze hun arbeidskracht niet verkopen. In zo’n maatschappij bestaat dus geen economische dwang om zijn handen, zijn arbeidskracht te verhuren, te verkopen aan een kapitalist.

Met andere woorden: in zo’n maatschappij kan het kapitalistische systeem zich niet ontwikkelen. Deze algemene waarheid kan overigens met een voorbeeld uit de moderne tijd worden toegelicht: de manier, waarop de kapitalisten in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw het kapitalisme in de Afrikaanse landen hebben ingevoerd.

Wat waren de algemene bestaansvoorwaarden van de volkeren van de Afrikaanse landen? Ze bedreven veeteelt en een per streek meer of minder primitieve akkerbouw, die echter overal gekenmerkt werd door een relatieve overvloed aan grond. Gebrek aan grond was in Afrika onbekend, integendeel, de bevolking kon over praktisch onbegrensde grondreserves beschikken. Natuurlijk waren op deze grond vanwege de zeer primitieve landbouwwerktuigen de oogsten mager en de levensstandaard uitzonderlijk laag. Desondanks bestond er geen materiële noodzaak voor deze volkeren om in de mijnen, de plantages of de fabrieken van blanke kolonialisten te gaan werken. Met andere woorden, als men geen verandering zou brengen in het stelsel van het grondbezit van Equatoriaal en Zwart Afrika, dan kon men daar de kapitalistische productiewijze niet invoeren. Om deze productiewijze in te voeren, heeft men de massa van de zwarte bevolking met buiteneconomische dwang radicaal en op brute wijze van haar normale bestaansmiddelen moeten scheiden. Men moest een groot deel van het bouwland van de ene dag op de andere in domeinen veranderen door het de koloniserende staat in eigendom te geven; of door het in particulier eigendom te geven aan kapitalistische maatschappijen. Men moest de zwarte bevolking ‘stationeren’ in gebieden die men cynisch de naam ‘reservaat’ gaf, op stukken grond die te klein waren om alle bewoners te voeden. Bovendien moest men haar een hoofdelijke belasting opleggen, dat wil zeggen een geldbelasting per hoofd van de bevolking, ondanks het feit dat de primitieve landbouw geen geldinkomsten kent.

Door deze verschillende buiteneconomische dwangmaatregelen heeft men de Afrikaan dus gedwongen als loontrekker te gaan werken, al was het maar voor twee of drie maanden per jaar. In ruil voor deze arbeid kreeg hij geld, waarmee hij de belasting kon betalen en de noodzakelijke extra voedingsmiddelen kopen, die hij nodig had voor zijn levensonderhoud, omdat de hem overgebleven grond daarvoor niet toereikend was.

In landen als Zuid-Afrika, Rhodesië en voor een deel ook het voormalige Belgisch-Congo, waar de kapitalistische productiewijze op de meest ruime schaal is ingevoerd, werden overal deze methoden toegepast: men heeft een groot deel van de zwarte bevolking ontworteld en verjaagd en uit haar traditionele werk- en leefwijze verdreven.

Laat ons terloops de ideologische huichelarij vermelden, waarmee deze beweging gepaard ging, het geklaag van de kapitalistische maatschappijen en de blanke opzichters, die beweerden dat de zwarten lui waren, omdat ze zelfs niet wilden werken, als ze de kans kregen in de mijnen en fabrieken tien keer zoveel te verdienen als vroeger op hun eigen akkers. Dezelfde klachten kon men vijftig of zeventig jaar daarvoor horen over de Indiase, Chinese of Arabische arbeiders. Men heeft ze ook in de zeventiende en achttiende eeuw gehoord — een goed bewijs voor de fundamentele gelijkheid van alle menselijke rassen — over de Europese arbeiders, Franse, Belgische, Engelse en Duitse. Het gaat om het volgende identieke feit:

op grond van zijn fysiek en psychisch gestel zit geen mens normaal gesproken graag acht, negen, tien of twaalf uur per dag opgesloten in een fabriek, een manufactuur of een mijn. Uitzonderlijk sterke dwang- en pressiemaatregelen zijn nodig om een mens, die aan dergelijk dwangarbeiderswerk niet gewend is, hiertoe te verplichten.

Het tweede kenmerk dat aan de kapitalistische productiewijze ten grondslag ligt, is de concentratie van de productiemiddelen tot een monopolie in handen van één enkele sociale klasse, de bourgeoisie. Deze concentratie is praktisch onmogelijk, als er geen voortdurende revolutie van de productiemiddelen is, als deze niet steeds gecompliceerder en kostbaarder worden, althans de productiemiddelen die men minimaal nodig heeft om een grote onderneming te beginnen (het werkkapitaal van een fabriek).

In de middeleeuwse gilden en ambachten was er een grote stabiliteit in de productiemiddelen. Weefgetouwen bijvoorbeeld werden van vader op zoon, van generatie op generatie overgeërfd. De waarde van zo’n weefstoel was relatief laag, zodat iedere gezel mocht hopen in een bepaald aantal arbeidsjaren de tegenwaarde van zo’n weefstoel te kunnen verwerven. De mogelijkheid om een monopolie te vestigen ontstond pas met de industriële revolutie, die een ononderbroken ontwikkeling van steeds gecompliceerder machines op gang bracht, waardoor er steeds grotere kapitalen nodig waren om een nieuwe onderneming op te richten.

Men kan zeggen dat vanaf dat moment de toegang tot het bezit van de productiemiddelen voor de overgrote meerderheid der loonarbeiders en salaristrekkenden onmogelijk wordt, en dat de eigendom van de productiemiddelen een monopolie wordt in handen van één enkele sociale klasse. Deze beschikt over kapitaal en kapitaalreserves; ze kan nieuw kapitaal accumuleren, uitsluitend omdat zij reeds kapitaal bezit. De klasse die geen kapitaal bezit, is daarmee veroordeeld om eeuwig even bezitloos te blijven, en aan dezelfde dwang onderworpen te blijven, voor anderen te moeten werken.

Een derde kenmerk dat aan het kapitalisme ten grondslag ligt, is het ontstaan van een sociale klasse, die niets dan haar eigen handen bezit en op geen andere wijze in haar behoeften kan voorzien dan door haar arbeidskracht te verkopen, maar die tegelijkertijd vrij is om deze te verkopen — namelijk aan de kapitalisten, de eigenaren van de productiemiddelen.

Dit is het ontstaan van het moderne proletariaat.

Dit is dus het derde kenmerk: het proletariaat, dat wil zeggen de vrije arbeider. In verhouding tot de middeleeuwse lijfeigenschap is het zowel een voor- als een achteruitgang: een stap vooruit, omdat de lijfeigene niet vrij was (de lijfeigene zelf was weer een stap vooruit ten opzichte van de slaaf), zich niet vrij kon verplaatsen; een stap achteruit, omdat de proletariër — in tegenstelling tot de lijfeigene — ook ‘vrij’, dat wil zeggen beroofd is van iedere toegang tot de productiemiddelen.

2.3. Oorsprong en definitie van het moderne proletariaat

Tot de directe voorouders van het moderne proletariaat kan men de ontwortelde bevolking van de middeleeuwen rekenen, dat wil zeggen dat deel van de bevolking dat niet meer aan de grond was gebonden, en evenmin lid was van een corporatie, ambacht of gilde. Dit deel van de bevolking zonder vaste woon- of verblijfplaats, begon zich reeds toen als dag- of uurloner te verhuren. Er waren steden in de middeleeuwen, met name Venetië, Florence en Brugge, waar vanaf de dertiende, veertiende of vijftiende eeuw een ‘arbeidsmarkt’ opkomt. In een of andere hoek van de stad verzamelden zich iedere ochtend de armen, die geen lid van een gilde of geen handwerksgezel waren, en niet over eigen bestaansmiddelen beschikten. Zij wachtten tot een of andere koopman of ondernemer hun diensten voor een uur, een halve of hele dag of langer kwam ‘huren’.

Een tweede oorsprong van het moderne proletariaat — die niet zo ver achter ons ligt — lag in de ontbinding van het feodale gevolg, dus in het langdurige en geleidelijke verval van de feodale adel, dat in de dertiende en veertiende eeuw begint en met de burgerlijke revolutie in Frankrijk tegen het einde van de achttiende eeuw wordt afgesloten. Tijdens de hoge middeleeuwen waren dikwijls vijftig, zestig of meer huishoudens direct afhankelijk van een feodale heer. Het aantal persoonlijke dienaren begon met name in de loop van de zestiende eeuw terug te lopen. Een zeer sterke stijging van de prijzen in deze eeuw leidde tot een verregaande verarming van alle sociale klassen met een vast geldinkomen; dus ook van de feodale adel in West-Europa, die in het algemeen de rente in natura in een geldrente had omgezet. Deze verarming leidde tot massaal ontslag van een groot deel van het feodale gevolg. Daardoor waren er duizenden voormalige kamerdienaren, knechten, schrijvers van edellieden, die langs de wegen gingen zwerven, bedelaar werden enz.

Een derde oorsprong van het moderne proletariaat is de verdrijving van een deel van de boeren van hun grond — een gevolg van de omzetting van akkerland in weidegrond. In het begin van de zestiende eeuw vond de grote socialistische utopist Thomas More daarvoor de uitstekende formulering: ‘De schapen hebben de mensen opgevreten’. Het omzetten van akkergrond in weiland voor de schapenteelt was een gevolg van de opkomst van de wolindustrie: dit verdreef vele duizenden Engelse boeren van hun land en veroordeelde hen tot een hongerbestaan.

Tenslotte is er nog een vierde oorsprong van het moderne proletariaat, die in West-Europa een geringe rol heeft gespeeld, maar in Midden- en Oost-Europa, in Azië, Latijns-Amerika en Noord-Afrika van grote betekenis is geweest: de vernietiging van het oude handwerk door de concurrentiestrijd tussen dit ambachtelijk handwerk en de moderne industrie, die zich van buitenaf een weg baande in deze onderontwikkelde landen.

Resumerend: de kapitalistische productiewijze is een systeem, waarin de productiemiddelen het monopolie zijn geworden van één enkele klasse, en waarin de producenten — van deze productiemiddelen gescheiden — vrij zijn, maar van alle bestaansmiddelen beroofd, en dus gedwongen hun arbeidskracht aan de eigenaren van de productiemiddelen te verkopen, om te kunnen voortbestaan. Het proletariaat wordt niet zozeer gekenmerkt door een hoog of laag loonniveau, maar door het feit dat het gescheiden is van zijn productiemiddelen, of niet over voldoende inkomsten beschikt om zelfstandig te worden.

Als men wil weten of het proletariaat aan het verdwijnen is, of zich integendeel uitbreidt, moet men niet naar het gemiddelde loon van de arbeider kijken of het salaris van de employé, maar moet men dit loon vergelijken met zijn gemiddelde verbruik, met andere woorden zijn spaarmogelijkheden vergelijken met het werkkapitaal van een onafhankelijke onderneming. Als men kon vaststellen dat elke arbeider of employé na tien jaar een vermogen van bijvoorbeeld 100.000 of 300.000 gulden opzij heeft gelegd, voldoende om een zaak of een kleine werkplaats te kopen, dan zou men kunnen zeggen dat het proletarisch bestaan aan het verdwijnen is en we in een maatschappij leven, waarin de eigendom van de productiemiddelen zich uitbreidt en veralgemeent.

Als men echter vaststelt, dat de overgrote meerderheid van de werkers, industriearbeiders, employés en ambtenaren na een leven van hard werken even arm is als daarvoor, dat wil zeggen praktisch zonder spaargeld, zonder voldoende kapitaal om productiemiddelen te kopen, dan kan men daaruit concluderen dat het proletariaat geenszins aan het verdwijnen is, maar integendeel algemener wordt. In vergelijking met honderd vijftig jaar geleden leiden tegenwoordig veel meer mensen een proletarisch bestaan.

Als men bijvoorbeeld de statistieken over de sociale structuur van de VS neemt, dan ziet men dat de afgelopen zestig jaar het percentage van de Amerikaanse beroepsbevolking dat zelfstandig werkt, als zelfstandig ondernemer of compagnonfamilielid geclassificeerd is, zonder onderbreking iedere vijf jaar terugloopt, terwijl het percentage van de beroepsbevolking dat gedwongen is zijn arbeidskracht te verkopen, regelmatig iedere vijf jaar stijgt.

Als men overigens de statistieken over de verdeling van het privé-vermogen bekijkt, stelt men vast dat de overweldigende meerderheid van de arbeiders (die men op 95 % kan stellen), en de overgrote meerderheid van de employés (naar schatting 80 of 85 %) er niet in slaagt zelfs maar een onaanzienlijk vermogen, een klein kapitaal op te bouwen. Hieruit blijkt dat zij hun hele inkomen uitgeven, en dat de vermogens zich in werkelijkheid tot een heel klein deel van de bevolking beperken. In de meeste kapitalistische landen bezitten 1; 2; 2,5; 3,5; of 5 % van de bevolking 40, 50 of 60 % van het privé-vermogen van het land. De rest bevindt zich in handen van 20 of 25 % van de bevolking. De eerste groep bezitters wordt gevormd door de grootbourgeoisie; de tweede door de midden- en kleinbourgeoisie. Alle andere groepen bezitten uitsluitend consumptiegoederen (waaronder soms ook een woning valt).

Als de statistieken over de successierechten en de belasting op erfenissen goed zijn bijgehouden, zijn zij zeer onthullend op dit punt.

Een zorgvuldige studie, die door het Brookings Institute — een bron, die boven iedere verdenking van marxisme staat — voor de New Yorkse beurs werd gemaakt, laat zien, dat in de VS ten hoogste l of 2 % van de arbeiders aandelen bezit en dat dit ‘bezit’ gemiddeld slechts 1000 dollar, dat wil zeggen ongeveer 3600 gulden bedraagt.

Bijna het gehele kapitaal bevindt zich dus in het bezit van de bourgeoisie, en dit onthult hoe het kapitalistische systeem zichzelf reproduceert. Zij die over kapitaal beschikken, kunnen steeds meer kapitaal accumuleren. Maar zij die geen kapitaal bezitten, kunnen het ook nauwelijks verwerven.

Zo vereeuwigt zich de verdeling van de maatschappij in een bezittende klasse en een klasse die gedwongen is haar arbeidskracht te verkopen.

De prijs voor deze arbeidskracht, het arbeidsloon, wordt praktisch volledig verbruikt, terwijl de bezittende klasse kapitaal bezit dat voortdurend met meerwaarde wordt vermeerderd. Van de kapitaalverrijking van de maatschappij trekt uitsluitend één enkele sociale klasse profijt, namelijk de kapitalistenklasse.

2.4. Het fundamentele mechanisme van de kapitalistische economie

Wat is de fundamentele functioneringswijze van deze kapitalistische maatschappij?

Als u op een dag naar de katoenbeurs gaat, kunt u niet weten of er precies genoeg, te weinig of te veel katoen is voor de nationale behoefte van dat moment. Dat kunt u pas na een bepaalde tijd vaststellen; wanneer er namelijk overproductie is en een deel van de productie onverkoopbaar is, zult u de prijzen zien dalen. En omgekeerd zult u de prijzen zien stijgen wanneer er schaarste is. De prijsbeweging is de thermometer, die schaarste of overvloed aangeeft. En net zoals men pas achteraf kan vaststellen, of de totale arbeidshoeveelheid die in een industrietak uitgegeven is, maatschappelijk noodzakelijk was of gedeeltelijk verspild is, zo kan men ook pas achteraf nauwkeurig de waarde van een waar bepalen. Deze waarde is derhalve — zo men wil — een abstract begrip, een constante waarom de prijzen schommelen.

Wat brengt de prijzen in beweging en daarmee — op langere termijn — ook de waarden, de arbeidsproductiviteit, de productie en het economisch leven in zijn geheel?

What makes Sammy run? Wat brengt de kapitalistische maatschappij in beweging?

De concurrentie. Zonder concurrentie geen kapitalistische maatschappij. Een maatschappij waaruit de concurrentie totaal, radicaal en definitief is verwijderd, kan niet langer kapitalistisch zijn, omdat haar belangrijkste economische drijfveer om kapitaal te accumuleren zou ontbreken: en 90 % van alle economische handelingen die door kapitalisten worden verricht, dienen om kapitaal te accumuleren.

Waarop berust de concurrentie? Aan de concurrentie liggen twee begrippen ten grondslag, die niet identiek hoeven te zijn. In de eerste plaats het begrip onbegrensde markt, de onbeperkte, niet afgebakende markt. In de tweede plaats het begrip menigvuldigheid van de beslissingscentra, vooral op het gebied van investeringen en productie.

Wanneer de productie van een hele industrietak volledig in de handen van één enkele kapitalistische onderneming is geconcentreerd, is daarmee de concurrentie nog niet uitgeschakeld; want nog altijd bestaat de onbegrensde markt en zal er dus concurrentischtrijd blijven bestaan tussen deze en andere industrietakken om nieuwe delen van de gehele markt te veroveren. Bovendien blijft de mogelijkheid bestaan, dat een nieuwe concurrent van buitenaf in deze industrie binnendringt.

Maar ook in het omgekeerde geval zou er concurrentie blijven bestaan.

Ook wanneer men zich een volledig afgesloten en begrensde markt zou kunnen voorstellen, waarbinnen talrijke ondernemingen om een deel van deze begrensde markt zouden strijden, zou er natuurlijk concurrentie blijven.

Dus alleen als deze beide verschijnselen gelijktijdig worden geëlimineerd, dat wil zeggen als er nog slechts één enkele producent voor alle waren is, en de markt volledig stabiel en verstard is en geen expansiemogelijkheid bezit, kan ook de concurrentie volledig verdwijnen.

Men kan de onbegrensde markt pas begrijpen, wanneer men haar vergelijkt met de tijd van de eenvoudige warenproductie. Een gilde in de middeleeuwen werkte voor een begrensde markt, die zich in het algemeen tot de stad zelf en haar directe omgeving beperkte. Bovendien werkten de gildenbroeders volgens een voorgeschreven en vaste werkmethode.

De historische overgang van de begrensde naar de onbegrensde markt kan met het volgende voorbeeld worden geïllustreerd: in de vijftiende eeuw werden de oude lakenfabrieken in de stad vervangen door nieuwe op het platteland. Er ontstonden nu lakenmanufacturen, die niet waren onderworpen aan de regels van het gilde: zonder beperkingen in de productie en dus ook zonder beperking van de afzet. Zij trachtten overal te infiltreren, nieuwe klanten te vinden, niet alleen in de directe omgeving van hun productiecentrum, maar zelfs in verre landen zochten zij nieuwe afzetmarkten. Bovendien veroorzaakte de grote revolutie in de handel, in de zestiende eeuw, een relatieve prijsdaling van een hele reeks producten, die in de middeleeuwen als luxegoederen beschouwd werden en slechts door een klein deel van de bevolking gekocht konden worden. Deze producten werden nu plotseling veel goedkoper en betaalbaar voor een groot deel van de bevolking. Het meest frappante voorbeeld daarvan is de suiker, tegenwoordig een alledaags product dat in geen enkel Europees arbeidersgezin ontbreekt, maar dat in de vijftiende eeuw nog uitzonderlijke luxe was.

De pleitbezorgers van het kapitalisme voeren steeds weer de prijsdaling en de uitbreiding van de markt voor een reeks producten aan als weldaden van dit systeem. Het argument is juist. Het is een aspect van wat Marx de ‘beschavingsopdracht van het Kapitaal’ noemt. Het betreft hier namelijk een dialectisch doch reëel verschijnsel, dat hieruit bestaat dat enerzijds de waarde van de arbeidskracht een dalende tendens vertoont, omdat de kapitalistische industrie steeds sneller die waren produceert die de tegenwaarde van het loon vormen, maar anderzijds een stijgende tendens vertoont, omdat haar waarde in toenemende mate de waarde van een hele reeks waren omvat, die vroeger voor een uiterst klein gedeelte van de bevolking consumptiegoederen waren, maar intussen voor massaconsumptie vrijgekomen zijn.

In wezen is de hele geschiedenis van de handel van de zestiende tot de twintigste eeuw de geschiedenis van de steeds snellere verandering van de handel in luxewaren in een handel in massaproducten, waren voor een steeds groter wordend deel van de bevolking. Pas dankzij de ontwikkeling van de spoorwegen, de snellere scheepvaart, de telegrafie enz. kon de hele wereld worden veranderd in een potentiële afzetmarkt voor iedere kapitalistische grootindustrieel.

Het begrip onbegrensde markt omvat dus niet alleen de geografische expansie, maar ook de economische. Deze laatste wordt veroorzaakt door de groeiende koopkracht. Om een voorbeeld uit het jongste verleden te nemen: de enorme uitbreiding van de productie van duurzame consumptiegoederen in de kapitalistische wereld in de laatste vijftien jaar kwam geenszins tot stand door geografische uitbreiding van de kapitalistische markt; integendeel: zij ging gepaard met een geografische inkrimping van de kapitalistische markt, omdat een hele reeks landen daar in die periode uit wegvielen. Weinig of geen Franse, Italiaanse, Duitse, Engelse, Japanse of Amerikaanse auto’s worden geëxporteerd naar de Sowjet-Unie, China, Noord-Vietnam, Cuba, Noord-Korea en de Oost-Europese landen. Niettemin was er een enorme opbloei van de automobielindustrie, omdat een steeds groter deel van de beschikbare koopkracht, die overigens ook zelf toenam, gebruikt werd voor de aanschaf van deze duurzame consumptiegoederen.

Het is geen toeval dat deze expansie gepaard ging met een crisis, min of meer permanent, in de landbouw in de industrieel hoog ontwikkelde kapitalistische landen, waar de consumptie van een hele reeks landbouwproducten niet alleen relatief niet meer toeneemt, maar zelfs absoluut begint te dalen, zoals de consumptie van brood, aardappelen, fruit, eenvoudige soorten appelen en peren enz.

Productie voor een onbegrensde markt onder concurrentievoorwaarden heeft een vergroting van de productie ten gevolge. Want dankzij de schaalvergroting van de productie kunnen de productiekosten worden verlaagd en kan de concurrent door lagere prijzen verslagen worden. Wanneer men de ontwikkeling van de waarde van alle in massaproductie gefabriceerde waren in de kapitalistische wereld op lange termijn beschouwt, valt niet te betwisten dat deze waarde aanzienlijk is gedaald.

Een kostuum, een mes, een paar schoenen of een schoolschrift hebben, gemeten in arbeidsuren of -minuten, tegenwoordig een veel lagere waarde dan vijftig of honderd jaar geleden.

We moeten natuurlijk de reële waarde en niet de verkoopprijs met de productiekosten vergelijken. In de verkoopprijs zitten immers de enorme kosten van distributie en verkoop, en ook de opgeblazen monopolistische meerwinst. Nemen we het voorbeeld van de olie, met name de olie uit het Midden-Oosten die wij in Europa gebruiken. De productiekosten liggen zeer laag, ze bedragen nauwelijks 10 % van de verkoopprijs.

Deze sterke waardedaling staat in elk geval buiten twijfel. Door de groei van de arbeidsproductiviteit daalt de waarde van de waren, omdat deze in een steeds kleinere tijdseenheid worden geproduceerd. Dit is voor het kapitalisme het belangrijkste middel om de afzetmarkt te vergroten en de concurrentie te verslaan.

Op welke manier kan de kapitalist de kostprijs sterk verlagen en tegelijk de productie sterk verhogen? Door voortdurende mechanisering, door steeds nieuwe productiemiddelen, steeds gecompliceerder mechanische arbeidsinstrumenten te ontwikkelen, die eerst door stoomkracht, daarna door aard- of dieselolie en tenslotte door elektriciteit werden aangedreven.

2.5. De groei van de organische samenstelling van het kapitaal

In de hele kapitalistische productie kan de waarde worden weergegeven door middel van de formule c+v+m: constant kapitaal (c) plus variabel kapitaal (v) plus meerwaarde (m). De waarde van iedere waar valt in twee delen uiteen: het ene wordt gevormd door de in stand gehouden waarde, het andere door de nieuw geproduceerde waarde. De arbeidskracht heeft een dubbele functie, een dubbele gebruikswaarde: enerzijds moet zij de bestaande waarde van de arbeidsinstrumenten, de machines en gebouwen in stand houden, door een deel van hun waarde op te nemen in de lopende productie; anderzijds moet zij nieuwe waarde scheppen, waarvan de meerwaarde, de winst een deel vormt. Een deel van deze nieuwe waarde gaat naar de arbeider; dat is de tegenwaarde van zijn loon. De rest, de meerwaarde, eigent de kapitalist zich zonder tegenwaarde toe.

De tegenwaarde van het loon noemen we het variabele kapitaal v. Waarom noemen we het kapitaal? Omdat de kapitalist deze waarde inderdaad voorschiet. Ze is dus een gedeelte van zijn kapitaal, dat hij uitgeeft voordat de waarde van de door de arbeiders geproduceerde waren gerealiseerd is, dus door verkoop weer binnen komt.

Het constante kapitaal c noemen we dat deel van het kapitaal, dat in machines, gebouwen, grondstoffen enz. is omgezet; de waarde van het constante kapitaal wordt door de productie niet vergroot, maar alleen in stand gehouden.

Het variabele kapitaal v noemen we dat deel van het kapitaal, waarmee de kapitalist de arbeidskracht koopt, omdat dit het enige deel van het kapitaal is, dat de kapitalist in staat stelt zijn kapitaal met een meerwaarde te vergroten.

Wat is nu de economische wet van de concurrentie, van de drang tot verhoging van de productiviteit, tot mechanisering, en tot opvoering van de capaciteit van de machine? De wet van deze dynamiek, die de grondtendens van het kapitalistisch systeem is, berust op het streven om het constante kapitaal te vergroten in verhouding tot het totale kapitaal (c + v). In de breuk c/(c+v) heeft c de tendens toe te nemen. Het deel van het totale kapitaal, dat uit machines en grondstoffen, en niet uit lonen bestaat, (c), heeft dus de tendens toe te nemen naarmate de mechanisering verder voortschrijdt en de concurrentie het kapitalisme dwingt de arbeidsproductiviteit onophoudelijk te verhogen. We noemen deze breuk c/(c+v) de organische samenstelling van het kapitaal (c + v). Zoals we zagen vertoont de organische samenstelling van het kapitaal in het kapitalistisch systeem een stijgende tendens; c tendeert er dus naar, groter te worden in verhouding tot c + v.

Hoe kan de kapitalist echter nieuwe machines aanschaffen? Wat wil dat zeggen, dat het constante kapitaal voortdurend toeneemt? De fundamentele handeling van de kapitalistische economie bestaat uit de productie van de meerwaarde. Maar zolang de meerwaarde slechts geproduceerd is, blijft zij in de waren opgesloten en kan de kapitalist er gee