|
1
Basisopvattingen over de bureaucratie
Ontstaan van het verschijnsel
bureaucratie
De dialectiek der gedeeltelijke verworvenheden
Wat betekent de dialectiek der gedeeltelijke verworvenheden?
De bureaucratische voorrechten
De verbureaucratisering van de arbeidersstaten
Enkele voorbeelden van foute oplossingen
Ontstaan van het verschijnsel bureaucratie
De revolutionair-marxistische oplossingen
2
Historische ervaringen met het probleem van de bureaucratie in
de arbeidersbeweging
Analyse van de Parijse Commune
door Marx
De parallel van Kautsky
De polemiek van Trotski tegen Lenin over diens opvattingen van
partijorganisatie
De strijd van Rosa Luxemburg tegen de Duitse
vakbondsbureaucratie
De verklaring van Lenin voor het verraad van de
sociaal-democratie
De trotskistische theorie van de ontaarding van de
sovjetarbeidersstaat
De Cubaanse revolutie
De revolutionair-marxistische oplossingen
3
De bureaucratie in de arbeidersstaten
De algemene problematiek van de
overgangsmaatschappijen
Oorsprong van de bureaucratische ontaarding in de
arbeidersstaten
a Het fractieverbod in de
bolsjewistische partij
b Invoering van het principe van de eenpartijheerschappij
c Het rentabiliteitsprincipe in de ondernemingen
De aard van de bureaucratie in
de arbeidersstaten
De noodzaak van de politieke revolutie in de arbeidersstaten
De bureaucratie: maatschappelijke laag of klasse
Inleiding
Het marxisme levert in wezen
een verklaring van de geschiedenis en ontwikkeling der
maatschappijen op grond van de betrekkingen en conflicten tussen
de maatschappelijke groepen. Het marxisme van de 19e eeuw heeft
zich volledig geconcentreerd op de studie van de fundamentele
groep, d.w.z. op de maatschappelijke klasse die haar wortels in
het productieproces heeft. Het marxisme van de twintigste eeuw
was echter gedwongen de betekenis te begrijpen van die groepen
die geen klassen zijn, die geen wortels in het productieproces
hebben, maar die toch een belangrijke rol spelen in de
ontwikkeling van onze maatschappij en in de
overgangsmaatschappij tussen kapitalisme en socialisme.
Onder deze, laten we zeggen
secundaire, groepen neemt die van de bureaucratie zonder twijfel
de belangrijkste plaats in. Het marxisme van de 20ste eeuw moest
het probleem der bureaucratie onderzoeken, omdat dit probleem,
dat rond 1898-1899 in de arbeidersbeweging opdook, zich steeds
scherper voordeed en op ideologisch gebied een steeds grotere
betekenis kreeg. De theoretici konden dit probleem aan de orde
stellen en analyseren, doordat dit bijverschijnsel zich reeds in
het bestaan en in de praxis van de arbeidersorganisaties
voorgedaan heeft.
Deze inleidende uiteenzetting
zal de beide fundamentele kanten van het probleem scheiden: het
theoretische en het historische aspect. We zullen proberen de
volgende vragen te beantwoorden:
- Wat is de
arbeidersbureaucratie? Hoe ontstaat zij en hoe ontwikkelt
zij zich? Hoe kan zij afsterven?
- Hoe heeft dit verschijnsel
zich concreet in de geschiedenis van de arbeidersbeweging
voorgedaan?
- Hoe hebben de verschillende
richtingen van de arbeidersbeweging tegenover dit nieuwe
probleem gestaan en wat was hun antwoord hierop?
1
Basisopvattingen over de bureaucratie
Ontstaan van het
verschijnsel bureaucratie
Het probleem van de
bureaucratie in de arbeidersbeweging manifesteert zich
rechtstreeks als het probleem van het apparaat der
arbeidersorganisaties: als het probleem van de vrijgestelden van
de kleinburgerlijke intellectuelen die in de
arbeidersorganisaties als midden- en hoger kader leidinggevende
functies verkrijgen.
Zolang de arbeidersorganisaties
tot zeer kleine groepen, politieke sekten of getalsmatig zeer
zwakke zelfbeschermingsverenigingen beperkt zijn, is er geen
apparaat, zijn er geen vrijgestelden en kan het probleem dus
niet optreden. In dit stadium kan men zich hoogstens afvragen
wat de betrekkingen zijn tot de kleinburgerlijke intel1ectuelen
die hun hulp aanbieden bij de ontwikke1ing van deze embryonale
arbeidersbeweging.
Maar men kan zich de opkomst
van de arbeidersbeweging, het ontstaan van massale politieke of
vakbondsorganisaties niet voorstellen zonder het ontstaan van
een apparaat van vrijgestelden. Wie echter de begrippen apparaat
en functionarissen gebruikt, spreekt al van het potentiële
verschijnsel van verbureaucratisering. Zo zien we dat reeds in
het begin een van de belangrijkste oorzaken van de
verbureaucratisering aanwezig is.
De arbeidsdeling in de
kapitalistische maatschappij schuift het proletariaat de
lichamelijke arbeid toe en de andere maatschapppelijke klassen
het verwerven en de productie van de cultuur. Door een
vermoeiende, zowel lichamelijk a1s geestelijk uitputtende arbeid
kan het proletariaat als geheel niet van de laatste resultaten
van de wetenschap kennisnemen en deze verwerken. Evenmin kan het
een voortdurende politieke en maatschappelijke activiteit
ontplooien. [1] De plaats van
het proletariaat in het kapitalistische stelsel heeft een
culturele en wetenschappelijke onderontwikkeling ten gevolge.
Het volledige verdwijnen van
het apparaat in de arbeidersbeweging zou haar veroordelen tot
een middelmatig en primitief optreden. Haar overwinning zou zich
vergeleken bij de verworvenheden van de kapitalistische wereld
als een culturele en maatschappelijke teruggang manifesteren.
Het socialisme, de bevrijding van het proletariaat, is echter
slechts denkbaar als de werkelijke verworvenheden van de natuur-
en maatschappijwetenschappen uit de voorsocialistische
wetenschap volledig worden verwerkt.
De ontwikkeling van de
arbeidersbeweging maakt een apparaat [2]
en functionarissen zonder meer nodig. De functionarissen
trachten door een bepaalde specialisatie in de leemte te
voorzien, die binnen de arbeidersklasse door het proletarische
bestaan ontstaan zijn.
Men kan zeker grofweg zeggen
dat met deze nieuwe specialisatie de bureaucratie ontstaat:
zodra enige mensen zich beroepsmatig en voortdurend met politiek
en vakbonden bezighouden brengt dit de mogelijkheid van de
ontwikkeling van bureaucratie en verbureaucratisering met zich
mee.
Deze specialisatie roept op een
lager niveau verschijnselen van de fetisjering en verdinglijking
op. In een op arbeidsdeling, op overmatige differentiatie van de
taken gebaseerde maatschappij, waarin het werk tot levenslang
dezelfde bewegingen veroordeelt, vindt men in het gedrag van de
arbeiders de ideologische weerspiegeling daarvan: ze neigen
ertoe hun activiteit als een doel op zichzelf te beschouwen. Zo
worden ook de structuren van de organisaties, die aanvankelijk
gedacht waren als middel, spoedig als doel op zich beschouwd.
Dat geldt bovenal voor hen die rechtstreeks en nauw met deze
organisaties verbonden zijn, die zich ermee vereenzelvigen, die
zich er voortdurend in bewegen, voor hen die het apparaat
vormen: de vrijgestelden, de toekomstige bureaucraten.
We begrijpen nu wat aan het
totstandkomen van de arbeidersbureaucratie ideologisch en
psychologisch ten grondslag ligt: het verschijnsel van de
dialectiek der gedeeltelijke verworvenheden.
De dialectiek van de
gedeeltelijke verworvenheden
Wij moeten als materialisten de
directe materiële belangen in onze beschouwingen betrekken.
Achter het probleem van de bureaucratie steekt dat van de materiële
voorrechten en van de verdediging van deze voorrechten.
Wil men echter de oorsprong en
de ontwikkeling van het probleem begrijpen, dan zou het al te
gemakke1ijk zijn zich te beperken tot het gezichtspunt van de
verdediging van materiële voorrechten. Het beste tegenvoorbeeld
is de ontwikkeling van de bureaucratie in de communistische
partijen die niet aan de macht zijn (Frankrijk, Italië of in
halfkoloniale landen als Brazilië), ofschoon deze
verschijnselen zich in een bepaalde periode (de ergste periode
van het stalinisme) zelfs hier in grote mate voordeden.
Tegenwoordig zijn de inkomens van de vrijgestelden in de
communistische massapartijen niet hoger dan die van de arbeiders
en zij vormen geen materiële voorrechten die verdedigd moeten
worden. Daarentegen komt het verschijnsel van de dialectlek der
gedeeltelijke verworvenheden volledig naar voren: de
ge1ijkstelling van de doelstellingen en de middelen van de
bureaucraat met de organisatie, van het historische doel met de
organisatie. Deze gelijkstelling wordt daarbij tot diepere
oorzaak van een conservatief gedrag, dat in scherpe
tegenstelling kan geraken met de belangen van de
arbeidersbeweging.
Wat betekent de dialectiek
van de gedeeltelijke verworvenheden?
De dialectiek van de
gedeeltelijke verworvenheden komt tot uiting in het gedrag van
hen die de overwinning in de strijd van de arbeiders om de macht
in de kapitalistische landen minder belangrijk vinden dan de
verdediging van de bestaande arbeidersorganisaties. Op het
internationale vlak achten zij de uitbreiding van de
wereldrevolutie en de ontwikkeling van de koloniale revolutie
van minder belang dan de statische verdediging van de
Sovjet-Unie en de arbeidersstaten. Deze mensen gedragen zich
alsof de elementen van arbeidersdemocratie binnen de
kapitalistische wereld en het bestaan van arbeidersstaten doel
op zichzelf zouden zijn, als zouden deze verworvenheden reeds de
voleindiging van het socialisme zijn. Zij gedragen zich alsof
iedere nieuwe verworvenheid van de arbeidersbeweging absoluut en
dwingend ondergeschikt gemaakt moet worden aan de reeds
bestaande. Dit leidt tot een fundamenteel conservatieve
mentaliteit.
De beroemde zin in het
Communistisch Manifest: De proletariërs hebben niets te
verliezen dan hun ketenen heeft een zeer diepe grond. Men moet
deze zin beschouwen als een marxistische grondstelling. Hij
betekent: het proletariaat heeft als functie de communistische
bevrijding van de maatschappij, omdat de proletariërs niets
bezitten wat zij moeten verdedigen. Zodra dit niet meer voor
honderd procent geldt, zodra een deel van het proletariaat
(hetzij de arbeidersbureaucratie, hetzij de in het proletariaat
van de ontwikkelde landen ontstane arbeidersaristocratie) een
organisatie of een levenspeil bezit die het oorspronkelijke
nulpunt, het niets, overschreden hebben, bestaat het
gevaar dat zich een nieuwe mentaliteit ontwikkelt. Het is niet
meer waar dat het proletariaat niets meer te verdedigen heeft.
Bij iedere nieuwe actie moet men het voor en tegen afwegen.
Brengt de voorgenomen actie niet het gevaar mee dat er geen
resultaten worden bereikt, maar verworvenheden verloren gaan?
Daar lag, al voor de Eerste
Wereldoorlog, de eigenlijke wortel van het bureaucratische
conservatisme in de sociaal-democratische beweging. En daarin
lag ook de oorzaak van de verbureaucratisering van de
arbeidersstaten, zelfs nog voor de extreme vorm waarin de
bureaucratie ontaardde in het stalinistische tijdperk.
Deze dialectiek van de
gedeeltelijke verworvenheden moet opgevat worden als echt
dialectisch, d.w.z. geen schijnbare, door een formule op te
lossen tegenstelling. Het gaat hier om een echte, op werkelijke
problemen berustende, dialectische tegenstelling. Het
bureaucratische conservatisme, dat de revolutionaire strijd in
de kapitalistische landen afwijst en wel onder het voorwendsel
dat deze de bestaande verworvenheden in gevaar brengt, weigert
de revolutie internationaal verder te voeren. Al is dit
conservatisme ook zeker schadelijk voor de belangen van het
proletariaat en van het socialisme, toch is het uitgangspunt van
deze houding, de noodzaak om het verworvene te verdedigen, een
werkelijk probleem.
Wie niet in staat is de
bestaande verworvenheden te verdedigen zal nooit nieuwe tot
stand brengen (Trotski). Maar het is verkeerd om van
tevoren aan te nemen, en hierin schuilt het conservatisme, dat
iedere belangrijke sprong voorwaarts van de revolutie, nationaal
of internationaal, automatisch de vroegere verworvenheden zou
bedreigen. Deze houding kenmerkt het eigenlijke en permanente
conservatisme van zowel de reformistische als de stalinistische
bureaucratieën.
Deze dialectiek van de
gedeeltelijke verworvenheden vormt samen met het verschijnsel
van de fetisjering in een op overdreven arbeidsdeling gebaseerde
maatschappij een van de diepste oorzaken van neiging tot
verbureaucratisering. Deze neiging is onverbrekelijk verbonden
met de ontwikkeling van de massale arbeidersbeweging in dit
historische tijdperk van het verval van het kapitalisme en van
de overgang naar de socialistische maatschappij. De conclusie
luidt: het werkelijke probleem bestaat niet uit de afschaffing
van de bureaucratie door decreten of magische formules. Het
bestaat uit haar stapsgewijze laten afsterven door het scheppen
van de beste objectieve en subjectieve voorwaarden die het
langzame verdwijnen bewerken van de kiemen van deze, in de
tegenwoordige historische fase overal in de maatschappij en in
de arbeidersbeweging aanwezige, verbureaucratisering.
De bureaucratische
voorrechten
Men mag natuurlijk ook niet
vervallen in de tegenovergestelde fout van het vulgaire
materialisme en het probleem uitsluitend terugbrengen tot meer
verwijderde sociologische oorzaken, waarbij men het volledig van
zijn materiële onderbouw losmaakt. De neiging tot conservatisme
van de leiding en de vrijgestelden van arbeidersorganisaties
hangt ook samen met de materiële voordelen en voorrechten die
deze functies met zich meebrengen. Deze maatschappelijke
voorrechten zijn gelijktijdig autoriteits- en machts voorrechten
waaraan de mensen grote betekenis toekennen.
a Als men het probleem in zijn
oorspronkelijke vorm bekijkt, als men dus uitgaat van de
apparaten der eerste arbeidersorganisaties, de vakbonden en de
sociaal-democratische partijen voor de Eerste Wereldoorlog, dan
kwamen de bureaucratische voorrechten op tweeërlei wijze tot
uiting:
- Voor arbeiders en
arbeiderszonen betekende toen het verlaten van het
productieproces om vrijgesteld te worden, in het bijzonder in de
toenmalige omstandigheden (werkdag van 12 uur met alle gevolgen,
volkomen sociale onzekerheid enz.), naast een ontegenzeggelijke
maatschappelijke vooruitgang, zeker ook een individuele
emancipatie. Niettemin kwam men niet in een ideale situatie. Men
kon noch van verburgerlijking, noch van verandering in een
bevoorrechte maatschappelijke laag spreken. De eerste
secretarissen van de arbeidersorganisaties brachten een groot
deel van hun leven in de gevangenis door en leefden in meer dan
bescheiden materiële omstandigheden. Maar toch hadden zij het
in economisch en maatschappelijk opzicht beter dan de arbeiders
in die tijd.
- Psychologisch en ideologisch
is het voor een overtuigde socialist of communist duidelijk veel
aangenamer de hele dag voor zijn ideeën en doel te strijden dan
urenlang mechanische bewegingen in een bedrijf uit te voeren en
te weten dat men daarmee in laatste instantie bijdraagt in de
verrijking van de klassentegenstander. Het valt niet tegen te
spreken dat het verschijnsel van de maatschappelijke vooruitgang
de drijvende kracht van een kiem van verbureaucratisering in
zich heeft: wie een post bezet wil deze behouden. Dat leidt
ertoe dat vrijgestelden hun post verdedigen tegen allen die hen
door het rouleersysteem zouden willen vervangen.
b De maatschappelijke
voorrechten, die aanvankelijk materieel slechts van beperkte
betekenis zijn, nemen toe wanneer deze massaorganisaties
machtsposities binnen de kapitalistische maatschappij bezetten.
Men moet dan parlementariërs, gemeenteraadsleden of
vakbondssecretarissen benoemen die op hoger niveau kunnen
onderhandelen met de werkgeversverenigingen en daardoor tot op
zekere hoogte met hen kunnen omgaan. Dit geldt ook als men
redacteuren moet aanstellen voor de eigen pers. Evenals voor al
degenen die in vele soortgelijke activiteiten de
arbeidersorganisaties vertegenwoordigen binnen een beweging die
op alle terreinen werkt. De beweging probeert op alle
maatschappelijke gebieden in te grijpen en in zekere mate al
deze activiteiten tot zich te trekken.
Er is ook hier een echte
dialectiek die zich niet terug laat voeren op een banale
tegenstelling. Als bijvoorbeeld de arbeidersbeweging een aantal
kranten bezit en dienovereenkomstig veel redacteuren nodig
heeft, bevindt zij zich in een echt dilemma. Neemt zij zich de
door Marx opgestelde regel tegen de bureaucratie ter harte en
beperkt zij de lonen van de vrijgestelden op het peil van een
gekwalificeerde arbeider, dan loopt zij het gevaar een negatieve
keus te maken met betrekking tot de beroepskwalificatie van de
redacteuren. De politiek meest bewuste mensen zullen de regel
van Marx accepteren, maar de meest begaafden, die elders veel
meer kunnen verdienen, komen voortdurend in de verleiding zich
hierdoor te laten meeslepen. Hoe minder zij politiek overtuigd
zijn, des te meer dreigen zij tot het kleinburgerdom te
vervallen waardoor zij voor de arbeidersbeweging verloren zijn.
Dit uitvalproces geldt in
gelijke mate voor een aantal andere beroepen. In gemeenten die
door de arbeidersbeweging bestuurd worden, komt hetzelfde
probleem voor bij architecten, ingenieurs en artsen. De strikte
toepassing van de regel van Marx brengt in de meeste gevallen
het gevaar mee allen uit te schakelen wier politieke bewustzijn
onvoldoende ontwikkeld is.
Binnen de kapitalistische
maatschappij, die haar eigen morele waarden en eigen
invloedssferen heeft, is het onmogelijk een ideale
communistische maatschappij tot stand te brengen, zelfs niet
binnen de arbeidersbeweging. Men kan haar verwezenlijken binnen
een uitzonderlijk bewust kader van revolutionairen. Maar in een
getalsmatig sterke arbeidersbeweging is binnen de burgerlijke
democratie de wederzijdse doordringing met de kapitalistische
maatschappij onvermijdelijk. De verleidingen van de
kapitalistische maatschappij zijn sterk en het toepassen van communistische
regels wordt steeds moeilijker. Dan duikt de neiging tot
verbureaucratisering op. De maatregelen die de negatieve
gevolgen van bevoorrechte posities moesten voorkomen verdwijnen.
De weg tot verbureaucratisering komt steeds meer open te liggen.
c In de laatste historische
fase kan de dialectiek binnen bepaalde grote
arbeidersorganisaties zelfs tot de laatste consequentie voeren.
Het kan hierbij komen tot een volledige verandering in de
politieke oriëntatie, tot een bewuste integratie in de
burgerlijke maatschappij en tot klassensamenwerking.
De wortels van de bureaucratie
vertakken zich snel. Een deel van de leiders werkt bewust samen
met de bourgeoisie en past zich in de kapitalistische
maatschappij in. De door het socialistische bewustzijn tegen de
verbureaucratisering opgeworpen hindernissen verdwijnen; de
voorrechten van de vrijgestelden vermeerderen zich; de
sociaal-democratische parlementariërs dragen niet langer een
deel van hun inkomen af aan hun organisatie en nemen geen
genoegen met het inkomen van een vrijgestelde. Zij vormen in de
arbeidersklasse een kiezersklantenkring. Vanaf dit
tijdstip kan de bureaucratische ontaarding alleen nog maar
sterker worden.
De verbureaucratisering van
de arbeidersstaten
In de overgangsperiode stelt
men bij de verbureaucratisering van de arbeidersstaten een
proces in drie fasen vast. Dit proces verloopt parallel aan dat
in arbeidersbewegingen.
- Eerst bestaat er alleen het
voorrecht van de autoriteit en de politieke voordelen, die
uit het machtsmonopolie binnen het staatsapparaat
voortkomen;
- dan ontstaan, vooral in een
achtergebleven land, zowel materiële als culturele
bureaucratische voorrechten;
- tenslotte doet zich de
volledige bureaucratische ontaarding voor als de leiding
niet meer tegen deze verschijnselen strijdt, maar ze bewust
accepteert, zich er naar voegt, zelf de motor wordt van dit
verschijnsel en de voorrechten probeert te vergroten.
Men loopt het gevaar bij de
afschuwelijkste vormen der sovjetbureaucratie in de
stalinistische periode te belanden:
- Als voorbeeld de vaste
bankrekeningen. Een aantal bevoorrechten kon uitgeven
zoveel zij wilden en van hun rekening betalen. De rekening werd
steeds weer tot hetzelfde bedrag aangevuld. De enige grens van
de uitgaven lag bij het relatieve warentekort. Voor deze
bevoorrechten werd op deze manier het communisme werkelijkheid
binnen een economisch achtergebleven maatschappij. In de
na-stalinistische literatuur van de Sovjet-Unie werden in
kranten en tijdschriften concrete gevallen genoemd van
kunstenaars en natuurlijk ook van politieke leiders die dit
voorrecht genoten hadden.
- Een tweede aspect van deze
monsterlijke voorrechten is niet minder frappant, namelijk de speciale
winkels. Dit in het stalinistische tijdperk ontstane
instituut van speciale winkels bestond in de meeste
arbeidersstaten tot 1956-57. De partijfunctionarissen hadden de
beschikking over bijzondere, voor de bevolking zorgvuldig
verborgen, winkels. Zij bevonden zich in naar buiten toe als
huis gecamoufleerde gebouwen die zij slechts mochten betreden.
Niemand wist dus van de aanwezigheid van deze winkels, waarin
men alle goederen vinden kon die toentertijd voor de bevolking
nog onbereikbaar waren en die meestal uit imperialistische
landen werden ingevoerd. Er was een nauwkeurige hiërarchie
onder de verschillende staats- en partijfunctionarissen die
toegang hadden tot deze winkels. Sommigen moesten de volle prijs
betalen. Anderen, die hoger stonden in de bureaucratische
rangorde, betaalden slechts de helft. De hoogst geplaatsten van
de bureaucratie, de bezitters van de beroemde vaste
bankrekeningen, konden gratis uitkiezen wat ze wilden hebben.
In de periode 1947-48, een tijd
van gebrek en ellende in de arbeidersstaten, ontvingen
bureaucraten in landen als Oost-Duitsland pakketten uit de
Sovjetunie. Het is werkelijk komisch te zien met welk een
pijnlijke nauwkeurigheid de hiërarchie bij de samenstelling van
de pakketten gehandhaafd werd: al naar hun rang kregen de
bureaucraten meer of minder grote pakketten, met zijden of
wollen kousen, met boter of reuzel enz.
Het is belachelijk, of liever
tragikomisch als tijdens een hongersnood de hiërarchie van de
materiële voorrechten door de bureaucratische mentaliteit tot
een dwingend principe verheven wordt. Maar het is slechts
logisch dat zich zelfs in zulke gevallen de werkelijk
karakteristieke ontaardingsverschijnselen voordoen.
Enkele voorbeelden van
verkeerde oplossingen
Uit dit summiere onderzoek van
het probleem van de verbureaucratisering moet men voor alles de
volgende conclusie trekken: men moet twee soorten verschijnselen
scherp onderscheiden en zich ervoor hoeden dat men ze op
misleidende wijze aan elkaar gelijkstelt.
- De potentiële neigingen van
een beginnende bureaucratisering, kiemvormen die beslist
onlosmakelijk verbonden zijn met de ontwikkeling van een
arbeidersbeweging als zij een bepaalde getalsmatige omvang en
een bepaalde macht bereikt. Zulke neigingen zijn in een geïsoleerde
arbeidersstaat vrijwel onvermijdelijk.
- De volledig ontwikkelde
bureaucratische neigingen die tot een volledige ontaarding
leiden, zoals men ze in de verschillende reformistische en
stalinistische partijen en de sovjetstaat aantreft.
Onderscheidt men de wezenlijke
trekken van deze beide verschijningsvormen niet of, wat nog
erger is, bestrijdt men alle organisatievormen die deze kiemen
bevatten, onder het voorwendsel dat zij zonder meer uitlopen op
een extreme ontaarding, dan leidt men de arbeidersbeweging op
dood spoor in plaats van haar de dialectische tegenstelling,
waarin zij zich bevindt, duidelijk te maken. Men kan dan nog
slechts de conclusie trekken: de zelfemancipatie van het
proletariaat is onmogelijk. Dat leidt er echter tenslotte
slechts toe dat men arbeidersbeweging in een nog slechtere
positie brengt en haar in de strijd voor zelfbevrijding hindert.
a Deze uiterste verwarring
kenmerkt verschillende ultralinkse groepen (die
overigens eerder rechts zijn, dan ultralinks!): voor enige van
deze groepen ligt de oplossing in de bewering dat alle kwaad
voortkomt uit de aanwezigheid van een apparaat en van
vrijgestelden. Volgens hun opvatting moet men tegen het bestaan
van beroepsrevolutionairen strijden. De zin in de
eerste beroepsrevolutionair die binnen de arbeidersbeweging
opdook, stak reeds Stalin vat de kern van hun stellingen
samen. Men moet zich bijgevolg afvragen wat de beweging zou zijn
zonder vrijgestelden, niet in een ideale maatschappij, maar in
de kapitalistische maatschappij zoals zij is. Een
arbeidersbeweging die niet zou trachten proletarische
beroepsrevolutionairen voort te brengen, die uit de
arbeidersklasse voortgekomen en nauw met haar verbonden zijn,
zou zich niet boven het primitiefste niveau van de eerste
verdedigingsorganisaties van de arbeidersklasse kunnen
verheffen. Zij zou zich volledig van de moderne wetenschappen
van de geestes-, zowel als van de natuur wetenschappelijke
disciplines afgesneden zijn; zij zou door haar politieke en
economische onvermogen slechts voor de meest directe en spontaan
ontstane eisen kunnen strijden. Een dergelijke beweging zou
klaarblijkelijk niet in staat zijn het proletariaat te
bevrijden, het kapitalisme omver te werpen en zo de weg naar een
socialistische maatschappij te openen.
De geschiedenis heeft getoond
dat deze oplossing de onwaarschijnlijkste van alle is. Er is in
de wereld geen enkel voorbeeld van een land waarin de
arbeidersbeweging zich na dozijnen ervaringen nog verder
vastklampt aan dit niveau van primitiviteit uit angst dat ze
later mogelijkerwijs bureaucratisch zou kunnen ontaarden.
b In de praktijk dreigt zich
veeleer de andere kant van het alternatief door te zetten.
Wanneer men geen vrijgestelden, geen beroepsrevolutionairen wil
hebben, wanneer men geen keuze en systematische opleiding van
proletarische elementen tot een zeer hoog niveau wil toelaten,
dan vallen de arbeidersorganisaties onvermijdelijk in handen van
kleinburgerlijke of burgerlijke intellectuelen die zich volledig
van haar meester maken. Binnen deze organisaties reproduceren
zij het wetenschaps- en cultuurmonopolie dat zij reeds in de
kapitalistische maatschappij bezitten. Op deze manier komt de
echte tegenstrijdigheid weer te voorschijn, die door deze
groepen niet begrepen wordt: het echte dilemma in de
kapitalistische maatschappij ligt niet in de keus tussen een
organisatievorm die vrij is van iedere verbureaucratiserings
kiem èn een vorm die deze kiemen in zich draagt. In
werkelijkheid is er slechts de volgende keuze:
- of men ontwikkelt een
feitelijke arbeidersautonomie, waarbij het gevaar bestaat
dat verbureaucratiserend potentieel aanwezig blijft;
- of men laat de
arbeidersorganisatie in handen van de burgerlijke ideologie
en haar intellectuelen.
Talrijke historische
voorbeelden bevestigen het laatste aspect:
pseudo-arbeidersorganisaties zijn tijden lang in handen van de
bourgeoisie gebleven. Er was geen voldoende arbeidersautonomie
of slechts tekortschietend organisatietalent of men beging de
ideologische fout te weigeren om in deze organisaties boven een
bepaald stadium uit te gaan.
Het is overigens verwonderlijk
dat de verdedigers van deze theorie het gevaar onderkennen dat
door het apparaat ontstaat (dat ook feitelijk aanwezig is), maar
aan de andere kant niet begrijpen dat arbeiders die niet
vrijgesteld zijn en onder invloed van de kapitalistische
maatschappij staan, veel vatbaarder zijn voor de heersende
ideologie. Deze ideologie is niets anders dan de ideologie van
de heersende klasse. De oorzaak van de grotere vatbaarheid: de
lichamelijke arbeid maakt van een werkdag van acht of negen uur,
reistijd niet inbegrepen, de intellectuele en culturele
emancipatie een stuk moeilijker.
Een arbeidersorganisatie waarin
slechts arbeiders zijn, die dagelijks in de productie werken, is
relatief gemakkelijk te beïnvloeden door de burgerlijke
ideologie. Een organisatie waarin voortdurende inspanningen
ondernomen worden om de meest bewuste en revolutionaire
arbeiders op te leiden, op te voeden en hen van de slavernij van
de kapitalistische arbeid los te maken door hen in de school van
de beroepsrevolutionairen te stalen, is minder gemakkelijk beïnvloedbaar.
c Een ander voorbeeld van
voorgestelde foutieve oplossingen, die in werkelijkheid
voortkomen uit een volledig niet-begrijpen van het probleem,
leverde de groep Socialisme of barbarij. Men moet om de
verbureaucratisering van de arbeidersstaat te voorkomen
onmiddellijk na de revolutie alle loon- en salarisverschillen
opheffen. Ook dit voorstel berust op het onbegrip voor de
eigenlijke moeilijkheid. Waartoe zou zo een maatregel namelijk
leiden? Indien men in een door materiële schaarste beheerste
maatschappij van vandaag op morgen alle loon- en
salarisverschillen zou opheffen, dan zou men daarmee vrijwel een
zeer groot deel van de prikkels afschaffen, die de mensen tot
verhoogde kwalificering brengen. Wanneer een culturele en
beroepskwalificering op geen enkele wijze een verbetering van de
levensomstandigheden met zich meebrengt, dan beperkt men het
streven naar kwalificering tot de meest bewuste elementen die de
objectieve noodzaak van de verheffing van het culturele en
beroepsniveau begrepen hebben. Het aantal mensen dat ernaar
streeft zich te kwalificeren zou dan veel kleiner zijn, dan in
een overgangsmaatschappij waarin deze materiële prikkel van
inkomensverschillen wel behouden zou blijven. De vooruitgang van
de productiekrachten zou dientengevolge langzamer zijn. De
goederenschaarste zou langer duren en het resultaat zou precies
het tegendeel zijn van wat ervan gehoopt werd. De objectieve
voorwaarden voor de ontwikkeling van de bureaucratie, die
voortkomen uit de onderontwikkeling van de productiekrachten èn
uit de culturele onderontwikkeling van het proletariaat, zouden
veel langer aanhouden. Houdt men echter integendeel een zekere
differentiatie van de lonen en salarissen in stand, dan
bespoedigt men de kwalificering. Hierdoor is ook het ontstaan
van materiële voorwaarden mogelijk, die het afsterven van de
voorrechten en van de tendens tot verbureaucratisering
bevorderen.
Bovendien is dit voorbeeld van
grote betekenis, omdat het in feite om een dialectische gang van
zaken gaat: de oplossing moet dus ook dialectisch zijn.
De
revolutionair-marxistische oplossingen
a Omdat er in zijn tijd nog
niet genoeg historische ervaringen opgedaan waren, kon Marx niet
alle aspecten van het probleem van de verbureaucratisering
precies begrijpen. Hoewel hij slechts met één enkele ervaring
van een arbeidersstaat, de Parijse Commune, die slechts enkele
maanden standhield, geconfronteerd was, heeft hij niettemin met
een geniale blik in de toekomst daaruit twee zeer eenvoudige en
diepgaande regels afgeleid. Zij houden bijna alle, ook nu nog
door de arbeidersbeweging tegen verbureaucratisering aanbevolen,
remedies in:
- Strijd tegen de materiële
voorrechten en de overdreven inkomensverschillen; met name mogen
de politieke functionarissen van de arbeidersstaat geen hoger
inkomen hebben dan de geschoolde arbeiders. Marx voegt eraan toe
dat dit in de eerste plaats een preventieve maatregel is om te
verhinderen dat bepaalde onbetrouwbare elementen alleen uit carriëre
zucht streven naar openbare functies als middel voor de
verbetering van hun maatschappelijke positie.
- De tweede regel luidt dat de
op alle niveaus gekozenen niet alleen zijn onderworpen aan de
verkiezing, maar ook aan de terugroepbaarheid. Dat moet men
aanvullen met het door Lenin geëiste rouleersysteem. Op die
manier kan stap voor stap de staat afsterven, wanneer eenmaal de
klassen verdwenen zijn en iedere burger concrete ervaringen met
de economische en staatsleiding opgedaan zal hebben.
b De revolutionair-marxistische
oplossing van het probleem vloeit voort zowel uit de
leninistische theorie van de partij en uit de trotskistische
theorie van de arbeidersstaat, als uit de bewuste rol van de
voorhoede in de leiding van een arbeidersstaat bij de strijd
tegen de bureaucratie. Men moet glashelder het objectieve
probleem zien: er zijn kiemen van bureaucratisering aanwezig.
Men moet tegelijker tijd begrijpen welke middelen in de strijd
tegen deze neiging het doeltreffendst zijn en hoe men haar onder
de meest verschillende materiële en subjectieve omstandigheden
zo ver mogelijk kan terugdringen.
Aangaande de partij moest Lenin
zelf binnen enkele jaren weliswaar geen zelfkritiek maar een
zekere verdieping van zijn opvattingen (zoals die in Wat te
doen? ontwikkeld werden) aanbrengen, nadat de Russische
arbeidersbeweging (na de revolutie van 1905) haar eerste
revolutionaire ervaring met een massa-activiteit opgedaan had.
In werkelijkheid bestaat de leninistische theorie van de partij
uit twee elementen: enerzijds uit wat Lenin in Wat te doen?
in het begin van de eeuw over de opbouw van de kern der illegale
revolutionaire partij heeft geschreven, anderzijds wat hij
schreef na de eerste revolutionaire massa-ervaring van het
sovjetproletariaat, na de ervaring met de raden, vakbonden en
massapartijen. Men moet beseffen dat er zowel voorhoedepartijen
nodig zijn, die slechts minderheidspartijen kunnen zijn. [3]
De voorhoede-organisatie moet
in de massa geïntegreerd zijn zonder haar te vervangen en
zonder taken op zich te nemen, die slechts door de massa zelf
verwerkelijkt kunnen worden. De gedachte dat de bevrijding van
het proletariaat slechts het werk van het proletariaat zelf kan
zijn mag in de praktijk noch in de theorie vervangen worden door
de idee dat de revolutionaire partij geroepen zou zijn het
proletariaat te bevrijden, de arbeidersstaat eerst in haar eigen
naam in de plaats van het proletariaat en, onder bepaalde
historische omstandigheden, zelfs tegen het proletariaat in tot
stand te brengen.
In de dialectische verhouding
tussen voorhoede en massa moet men, om te begrijpen hoe de
revolutionaire partij en de massa van het proletariaat zich tot
elkaar moeten verhouden, er de nadruk op leggen dat bepaalde
historische taken slechts met de bewuste steun van de
meerderheid van het proletariaat kunnen worden verwerkelijkt. De
ondersteuning van een revolutionaire partij door de massa kan
echter slechts plaatsvinden in buitengewone (echter historisch
noodzakelijke) momenten. Dit betekent natuurlijk ook dat de
partij, zolang er geen revolutionaire situatie bestaat, in de
minderheid moet blijven.
In werkelijkheid berust de
leninistische theorie van de partij op het volledig begrijpen
van deze dialectiek. Daaruit vloeien een bepaalde
organisatievorm en een bepaalde visie op het probleem der
beroepsrevolutionairen voort. Deze mogen zich niet permanent van
de arbeidersklasse losmaken. Zij moeten in het bedrijf terug
kunnen keren en worden dan door andere proletariërs vervangen,
die eveneens de ervaring van een beroepsrevolutionair doormaken.
Zo wordt een echte kringloop van levend bloed tussen de
klasse en haar voorhoede tot stand gebracht. Dat is de theorie
van het rouleersysteem tussen proletariërs en
beroepsrevolutionairen.
c Ditzelfde gaat op voor de
arbeidersstaten in de overgangsmaatschappij tussen kapitalisme
en socialisme. Vooral Trotski en de trotskistische beweging
hebben op deze vragen een antwoord gegeven. Intussen had reeds
Lenin verregaande bijdragen geleverd voor een antwoord. In
zekere mate was hij zich in de jaren 1921-1922 van deze
verschijnselen meer bewust dan Trotski.
De aanzetten tot
bureaucratisering of tot de bureaucratische ontaarding zijn in
een achtergebleven en geïsoleerde maatschappij onvermijdelijk.
Daarentegen is de ontwikkeling van deze bureaucratische
misvorming tot een verschrikkelijke ontaarding, zoals men die in
het stalinistische tijdperk beleefd heeft, niet onvermijdelijk.
In dit geval is de rol van de subjectieve factor weer
beslissend. Is de revolutionaire voorhoede zich bewust van
verbureaucratisering dan kan zij dit gevaar op alle gebieden
bestrijden:
- In de politieke organisatie
van de staat zal zij talrijke vormen van arbeidersdemocratie
en van direct ingrijpen van de arbeiders in het beheer van
de staat tot ontwikkeling brengen.
- Op economisch terrein zal
zij zowel het zelfbeheer door de arbeiders, als ook de
kwantitatieve en kwalitatieve versterking van de
arbeidersklasse bevorderen.
- Op het internationale vlak
zal zij de uitbreiding van de revolutie bevorderen om de geïsoleerde
positie van de revolutie te doorbreken en daardoor het
proces van de bureaucratisering op de meest effectieve
manier bestrijden.
Als een nieuwe proletarische
voorhoede in een land aan de macht komt zonder moreel en fysiek
uitgeput te zijn, dan kan zij, naar mate de internationale
revolutie zich uitbreidt, in de beweging voorop gaan. Dat is het
derde aspect van de permanente revolutie van Trotski.
2
Historische ervaringen met het probleem van de bureaucratie in
de arbeidersbeweging
We zullen thans onderzoeken hoe
het probleem van de bureaucratie historisch in de
arbeidersbeweging lag.
Analyse van de Parijse
Commune door Marx
We beginnen met de conclusies
die Marx uit zijn bestudering van de Parijse Commune getrokken
heeft. Het meest karakteristieke van deze eerste poging tot het
oprichten van een arbeidersstaat was het streven naar de
vernietiging van het permanente staatsapparaat in iedere
gecentraliseerde vorm, zoals die door de verschillende
bezittende klassen overgeërfd werd (absolute monarchie en
daaropvolgende vormen van de burgerlijke staat). De poging om
het centrale staatsapparaat te vernietigen was door de leiders
van de Commune meer instinctief doorgevoerd dan bewust.
In zijn analyse heeft Marx drie
hoofdfactoren uitgewerkt waarvan er twee hierboven genoemd
werden:
- Het feit dat de door de
Commune betaalde krachten niet meer kregen dan een geschoolde
arbeider verdiende;
- De verkiesbaarheid en
terugroepbaarheid van deze ambtenaren op verlangen van
hun kiezers;
- Het derde punt is door Marx
aangestipt en later door Lenin nader uitgewerkt. In deze nieuwe
vorm van de staat, die eigenlijk al geen staat meer is, in dit
beginnend afsterven dat met het ontstaan van een arbeidersstaat
samenvalt, wordt reeds opgeheven wat de burger1ijke staat
wezenlijk kenmerkt: de scheiding tussen wetgevende en
uitvoerende macht (legislatieve en executieve). Er werd toen
reeds geprobeerd een groot aantal arbeiders niet alleen aan
wetgevende functies, maar ook aan de uitvoering van wetten te
laten deelnemen. Er werd geprobeerd de arbeiders bij werkelijke
functies van de machtsuitoefening te betrekken.
Deze eerste benadering van een
arbeidersstaat, zoals hij moet zijn, bood tegelijkertijd de
mogelijkheid effectieve maatregelen aan te geven voor de strijd
tegen de verbureaucratisering. Het begin van het afsterven van
het staatsapparaat valt dus samen met dat van de staat zelf. De
drie door Marx opgestelde regels zijn ook de grondregels om de
gehele democratische structuur voor bureaucratische overheersing
te behoeden: ze gelden evengoed voor een structuur van de staat,
als voor een structuur van de vakbond of de massapartij.
In ieder geval heeft Marx, wat
men kan betreuren of niet, het probleem van de bureaucratie niet
volledig kunnen behandelen. Hij heeft namelijk de
verbureaucratisering van een arbeidersbeweging niet meegemaakt
en helemaal niet die van een arbeidersstaat. Maar de weinige
opmerkingen die hij gemaakt heeft, vormden lang de wezenlijke
inhoud van de leer van de anti-bureaucratische strijd die na hem
door andere marxisten ontwikkeld is.
De parallel van Kautsky
Aan Kautsky danken wij de
tweede bewuste benadering van het probleem.
Aan het eind van de vorige eeuw
publiceerde hij een boek over de Oorsprong van het
christendom. Het lijkt merkwaardig dit probleem in verband
te brengen met dat van de arbeidersbureaucratie. In het laatste
deel van zijn werk werpt Kautsky echter bewust de volgende vraag
op (en dat is waarschijnlijk de eerste heldere formulering van
het probleem): bestaat niet het gevaar dat de arbeidersklasse na
haar greep naar de macht deze macht afstaat aan een
overheersende bureaucratie? Bestaat niet het gevaar dat zij
hetzelfde proces van verbureaucratisering zal doormaken als de
katholieke kerk toen deze tot een heersende macht in de
maatschappij werd? Kautsky trekt hier een parallel tussen wat in
de vierde eeuw gebeurde, toen de katholieke kerk onder
Constantijn de Grote staatskerk werd, en wat zich na de
overwinning van de arbeidersbeweging zou kunnen voordoen. Deze
vergelijking komt natuurlijk niet alleen voort uit de
vooruitziende blik van Kautsky.
Engels vergeleek al in zijn
inleiding tot de Klassenstrijd in Frankrijk, die rond
1895 werd geschreven, de vervolgingen waaraan de
arbeidersbeweging in deze tijd bloot stond met die welke een
andere beweging zestienhonderd jaar eerder ondergaan had.
Ondanks alle vervolgingen beleefde het christendom de ene
overwinning na de andere. Deze beweging van onderdrukten, die
door de hogere klassen bestreden werd, veroverde langzamerhand
alle maatschappelijke klassen en ging rechtstreeks op de
overwinning af.
Engels had dus vele jaren voor
Kautsky een parallel tussen christendom en moderne
arbeidersbeweging getrokken. Uitgaande van deze beide
parallellen pakte Kautsky het [4]
probleem aan en hij stelde het, dat zij tot zijn eer gezegd,
correct. Hij begreep dat er vanzelfsprekend geen geheel
gelijklopende parallellen tussen de katholieke kerk en de
arbeidersbeweging waren, maar dat deze echter bij het verkrijgen
van macht tegenover een soortgelijk
verbureaucratiseringsprobleem komt testaan, als de katholieke
kerk toen zij aan de macht kwam.
De antwoorden die Kautsky
gevonden heeft zijn zeer leerzaam, zij onderscheiden zich
belangrijk van de antwoorden van Marx in zijn geschriften over
de Parijse Commune. Ze komen ons tamelijk vertrouwd voor, want
ze lijken op de antwoorden die Trotski later gegeven heeft.
Kautsky meent dat de parallel
alleen dan juist zou zijn wanneer men in historisch verband van
de arbeidersklasse hetzelfde zou kunnen zeggen als van de
katholieke kerk. De laatste kwam namelijk aan de macht toen de
productiekrachten zich in een neergang bevonden. Onder zulke
omstandigheden zou ook voor de arbeidersklasse een
verbureaucratisering onvermijdelijk zijn. Het socialisme echter
leidt tot een enorme opgang van de productiekrachten, die het
volledige verdwijnen van de arbeidsdeling en een omvangrijke
revolutie op cultureel gebied ten gevolge heeft. Onder
dergelijke omstandigheden van materiële rijkdom en van
intensieve culturele ontwikkeling is de overwinning van de
verbureaucratisering historisch ondenkbaar.
Het antwoord van Kautsky is
globaal juist. Hij slaat slechts een stapje in de redenering
over en laat een mogelijkheid buiten beschouwing, die niemand in
zijn tijd onder het oog gezien had: wat gebeurt er wanneer de
arbeidersklasse de macht niet grijpt in een van de meest
ontwikkelde kapitalistische landen, maar in een achtergebleven
land? In dit geval zouden de door Kautsky als remmen op de
verbureaucratisering opgesomde factoren (materiële overvloed,
culturele omwenteling) niet meer aanwezig zijn. De ontoereikende
ontwikkeling van de productiekrachten, van de cultuur en louter
getalsmatig ook van het proletariaat zou dan een tijdelijke
bureaucratische overwinning mogelijk maken.
De polemiek van Trotski
tegen Lenin over diens opvatting van partijorganisatie
De derde fase waarin de
arbeidersbeweging zich bewust werd van het probleem van de
bureaucratie is voor communisten die tegelijk leninist en
trotskist zijn, zeer netelig. Zij heeft haar neerslag
gevonden in de polemiek tussen Trotski en Lenin over diens
theorie van partijorganisatie. In deze polemiek heeft Trotski
ongelijk gehad. Dat is historisch gezien onbetwistbaar en
Trotski heeft het zelf toegegeven. Als een man als Trotski zich
echter vergist, dan bevatten in veel gevallen ook zijn
vergissingen iets waars. Gaat men niet van de innerlijke logica
van zijn overwegingen uit (die foutief waren) maar van zijn
conclusies, dan vindt men een zeer juist voorgevoel waarvan de
formulering bijna profetisch klinkt. In het jaar 1903 schreef
Trotski dat een theorie die er op uitloopt dat bij de uitvoering
van de belangrijkste taken van de revolutie het proletariaat
door de partij vervangen wordt, ook het gevaar loopt dat de
partij door het Centrale Comité van de partij, het Centrale
comité door het secretariaat en het secretariaat door de
algemene secretaris vervangen wordt. Dat zou kunnen leiden tot
een historische situatie waarin een enkele mens belast zou
worden met de opdracht de grote taken van de revolutie te
verwezenlijken.
Maar in het stalinistische
tijdperk is deze theorie, half toegegeven en bijna openlijk, de
officiële theorie van de stalinistische partij geworden. De
bureaucratische leiders van bepaalde arbeidersstaten zijn steeds
buitengewoon verrast, wanneer men hen uitnodigt één enkele zin
uit de verzamelde werken van Lenin te noemen waar hij zegt dat
de dictatuur van het proletariaat door de partij uitgeoefend zou
moeten worden; of dat de partij de nationalisatie van de
productiemiddelen tot stand moet brengen enz. Een dergelijke
uitnodiging verwart hen daarom volledig, aangezien zij werden
opgevoed in de opvatting dat de taken van het proletariaat aan
de partij overgedragen zouden zijn.
De klassieke werken van het
leninisme (zoals Staat en Revolutie) spreken
integendeel steeds van de taken die door het proletariaat onder
leiding van de partij uitgevoerd moeten worden. En dat is iets
heel anders. De theorie die de uitvoering van de historische
taken van het proletariaat aan de partij overdraagt, waarbij zij
zich aanmatigt diens plaats in te nemen, leidt geheel logisch
tot situaties waarin de partij ertoe verleid wordt deze taken
ook tegen de oppositie van de overweldigende meerderheid van het
proletariaat uit te voeren. Dat zou ook Boedapest, de
interventie van de sovjettroepen in de Hongaarse revolutie en
bij de algemene staking van 95 procent van het Hongaarse
proletariaat rechtvaardigen. Zo zou men ook de dictatuur van het
proletariaat door de partij tegen de wil van 95 procent van het
proletariaat op een gegeven historisch ogenblik en in een
bepaald land kunnen rechtvaardigen.
De kritiek van Trotski op deze
theorie van de substitutie was dus op zich volkomen
gerechtvaardigd. Alleen liep zij op de gebeurtenissen vooruit en
berustte zij toen op een foutieve veronderstelling. Niemand
verdedigde namelijk in 1903 deze stelling, zeker Lenin niet.
Laatstgenoemde heeft zich er meerdere malen tegen verweerd. [5]
Deze theorie is in feite pas dertig jaar later, op het
hoogtepunt van het stalinistische tijdperk, opgedoken, toen zij
de halfofficiële leer van de sovjetbureaucratie werd. De
sovjetbureaucratie heeft het echter nooit gewaagd deze theorie
openlijk aan te hangen en daarmee direct de leninistische
theorie te verloochenen.
De strijd van Rosa Luxemburg
tegen de Duitse vakbondsbureaucratie
De vierde fase waarin de
arbeidersbeweging zich het probleem van de bureaucratie bewust
werd, is van bijzonder belang. Voor de eerste keer kwam nu het
bestaan van een ontwikkelde bureaucratie ten volle in de
aandacht. Dat danken wij aan de strijd van Rosa Luxemburg in de
jaren 1907 tot 1914 tegen de Duitse vakbondsbureaucratie en de
algemene ontaarding van de reformistische sociaal-democratie.
a Rosa Luxemburg heeft dit
verschijnsel heel goed begrepen en ontleed, ook al mocht zij
daarbij wat overdreven hebben. De sterkste arbeidersorganisaties
zijn in de gewone perioden van het kapitalisme altijd in de
minderheid. Zelfs in de machtigste vakbonden is slechts een
minderheid van de arbeiders georganiseerd. [6]
Zij heeft hieruit twee
conclusies getrokken, waarbij zij zich baseerde op de concrete
ervaring van de Russische Revolutie van 1905, voornamelijk in de
meest geïndustrialiseerde delen (het tsaristische Polen, de
industriële centra van de Oekraïne, Georgië en Transkaukasië).
In al deze gevallen sloot de meerderheid der arbeiders zich
slechts tijdens een revolutionaire periode aan bij een politieke
beweging of vakbond. Dit betekent dat miljoenen arbeiders die
niet de school van traditionele organisaties doorlopen hebben,
in beweging komen. Men kan hen niet op de gebruikelijke manier kanaliseren.
Nieuwe organisatievormen zijn nodig om deze arbeidersmassa te
organiseren. Ze moeten soepeler zijn dan die van een vakbond of
een partij. Ze moeten het mogelijk maken een veel groter deel
van de massa te omvatten en de eenheid van actie in feite te
verwerkelijken.
De geschiedenis heeft deze
theorie volledig bevestigd en het voordeel van de
organisatievorm in raden, tijdelijke comités tijdens de
revolutionaire periode, aangetoond. Zij zijn de soepelste vorm
die men zich voor kan stellen want ieder comité is toegesneden
op een specifieke plaatselijke situatie. Men denken slechts aan
de eerste sovjets van de Russische revolutie van 1905, de
arbeiders- en soldatenraden van de Duitse revolutie van 1918 of
de raden van de Spaanse revolutie. Al deze comités waren op dat
moment de specifieke uitdrukking van een bepaalde situatie. Zij
werden steeds gevormd om een praktisch probleem op te lossen,
waarvoor de revolutie op dit moment stond. Natuurlijk kan men
zulke instellingen geen vast statuut geven, dat onder alle
omstandigheden toegepast kan worden. Deze soepelste van alle
organisatievormen heeft slechts één enkel doel: het
eenheidsfront, de eenheid in de actie van de arbeiders, in een
revolutionaire toestand, voor een bepaald revolutionair doel tot
stand te brengen. Alleen deze organisatievorm beantwoordt aan de
eisen van een revolutionaire actie die alle arbeiders omvat. Als
men het werkelijke karakter van de raden heeft begrepen, ziet
men hoe dogmatisch en wonderlijk het is in alle landen en in
alle situaties de raden hetzelfde etiket te willen opplakken. De
maoïsten die terugvallen op de stalinistische ervaring van de
zogenoemde derde periode, willen in landen als België
of de Verenigde Staten de oprichting van raden van tevoren
voorbereiden.
Doet men dit, dan begint men
een dogmatische en mislukte operatie die geen antwoord geeft op
het eigenlijke probleem. Het probleem is het vinden in de vorm
die het beste aansluit bij de verwachtingen van de huidige
arbeidersklasse in een bepaald tijdperk, in een bepaald land, in
overeenstemming met reële historische doelen: het grootst
mogelijke aantal arbeiders voor een duidelijk bepaald doel
mobiliseren.
b Een ander aspect brengt Rosa
Luxemburg ons bij door haar inzicht in de vakbondsbureaucratie,
zoals die zich in vakorganisaties, maar ook in de
industrievakbonden gevormd heeft. Als deze bureaucratie haar
vormingproces voltooid heeft loopt zij gevaar een buitengewoon
conservatieve kracht te worden; zij vormt dan een steeds grotere
hindernis voor de ontwikkeling van de klassenstrijd. De
persoonlijke ervaring van Rosa met deze vakbondsbureaucratie
stelde haar in staat deze voor Lenin en Trotski te doorzien, zij
begreep de contrarevolutionaire rol die deze bureaucratie enkele
jaren later zou gaan spelen. De arbeidersbeweging legde in deze
tijd algemeen meer de nadruk op het opportunistische karakter
van deze bureaucratie, dus op de zuiver politieke kant van haar
handelwijze, die beslist ook zeer belangrijk is. Rosa echter kon
de bureaucraten gadeslaan in de dagelijkse strijd. Zij begreep
daardoor eerder dat bureaucraten zich in de burgerlijke staat
integreren, dat er voor hen op zijn minst gedeeltelijke
belangenovereenstemming was met bepaalde
burgerlijk-democratische instellingen, en dat de bureaucratie
onder andere ook haar materiële belangen verdedigde.
Lenin heeft in 1914 deze
theorie weer opgenomen om bij het uitbreken van de
imperialistische oorlog en tegenover de algemene ontaarding van
de sociaal-democratie in Europa de grondslagen voor het verraad
van de Tweede Internationale duidelijk te maken.
c Er zijn natuurlijk in Rosa's
schets van de verbureaucratisering van de arbeidersorganisaties
ook bepaalde overdrijvingen. In haar overtrokken nadruk op de
anti-bureaucratische strijd overdreef zij de systematische
kritiek van de massaorganisaties. Zij onderschatte de objectieve
betekenis van deze organisaties voor het in stand houden van een
minimum aan klassenbewustzijn. Zelfs in de meest ontwikkelde
kapitalistische landen (West-Duitsland, Engeland en zelfs de
USA) luidt het alternatief niet: of een revolutionaire en
dynamische arbeidersklasse, of een door bureaucratische
vakbonden gedisciplineerde arbeidersklasse. Er zijn zeker nog
meer mogelijkheden:
- Een revolutionaire en
dynamische arbeidersklasse;
- Een in verbureaucratiseerde
klassenorganisaties georganiseerde arbeidersklasse;
- Een arbeidersklasse die door
het ontbreken van organisatie geatomiseerd, versplinterd is
en geen klassenbewustzijn bezit.
Men moet al deze drie elementen
in de beschouwing betrekken om het waarlijk dialectische
karakter van de massaorganisaties in het kapitalistische stelsel
te begrijpen. Men kan slechts hun
bureaucratisch-contrarevolutionaire aspect bekritiseren, zonder
tegelijkertijd hun positief aspect te zien. Deze
massaorganisaties maken het de arbeidersklasse namelijk mogelijk
om een minimum aan klassenbewustzijn, binnen een zeer machtige
kapitalistische maatschappij, in stand te houden. Pas als de
arbeidersklasse het stadium van de zuivere individuele actie te
boven is, kan zij zo een collectieve kracht scheppen.
Men moet op dit punt de nadruk
leggen want aan de rand van de trotskistische beweging
verspreiden zich de ultralinkse theorieën, die geen onderscheid
maken tussen deze beide aspecten. Dat vindt dan zijn uitdrukking
in de volgende vergelijking:
Massavakbond = kwaadaardige
bureaucratie = contrarevolutionair verraad.
Men ziet hierbij over het hoofd
dat de massavakbond in tijden van sociale vrede
objectief de uitdrukking is van de collectieve kracht van de
klasse tegenover de ondernemers. De opmerking dat tegenwoordig
de vakbondsapparaten in de ontwikkelde kapitalistische landen de
neiging hebben instellingen voor sociale hulp te
worden, die slechts problemen van uitkeringen en kinderbijslag
oplossen, is grotendeels juist. Maar zouden deze
vakbondsapparaten er niet zijn, dan zouden de arbeiders deze
problemen individueel moeten oplossen. De krachtsverhouding zou
oneindig veel ongunstiger zijn en de arbeiders zouden geen kans
hebben iets te bereiken. De functie van het vakbondsapparaat is
in laatste instantie het gehele gewicht van de collectieve
kracht van de arbeidersklasse in te schakelen bij een
krachtmeting en het resultaat hiervan beslissend te beïnvloeden.
Dit dubbele aspect van de
vakbondsbureaucratie is fundamenteel van aard. Hoe zou men
anders kunnen verklaren dat de arbeiders, die sinds 50 jaar
steeds weer opnieuw in elke revolutionaire periode
geconfronteerd worden met het verraad van hun vakbondsapparaten,
niettemin zo sterk aan deze organisaties gebonden blijven? Als
men de dubbelrol niet vergeet van deze leidingen wordt dit
meteen duidelijk: de arbeiders weten heel goed dat de vakbonden
ondanks hun verraad de dagelijkse fundamenteel anti-kapitalistische
rol spelen en daarom is het niet in hun belang deze op te geven.
De verklaring van Lenin voor
het verraad van de sociaal-democratie
De vijfde fase van het bewust
aanpakken van het probleem van de bureaucratisering bestaat uit
de verklaringen die Lenin gaf van de ontaarding van de Tweede
Internationale en het verraad van de sociaal-democratie bij het
uitbreken van de eerste imperialistische wereldoorlog.
Lenin geeft voor dit verraad
twee factoren aan:
- Binnen de vakbonden en
partijen duikt een bureaucratie op die de controle over deze
organisaties en naar buiten, in de burgerlijke staat
(parlementariërs, burgemeesters, journalisten) voorrechten
te verdedigen heeft.
- Deze bureaucratische laag
heeft diepe sociologische wortels in de kapitalistische
maatschappij van dit tijdperk. Zij steunt op de arbeidersaristocratie,
d.w.z. op een deel van de arbeidersklasse van de
imperialistische landen dat door de bourgeoisie met behulp
van de koloniale overwinsten, een resultaat van de
kapitalistische uitbuiting, omgekocht werd.
Deze tweede theorie is voor de
revolutionaire marxisten bijna een halve eeuw lang een dogma
geweest: zij moet thans op twee gronden aan een kritische
beoordeling worden onderworpen:
a Bepaalde verschijnselen in de
wereld zijn niet met behulp van deze theorie te verklaren. Het
is onmogelijk de vakbondsbureaucratie in de USA te verklaren uit
het bestaan van een door de koloniale overwinsten omgekochte
arbeidersaristocratie. Zonder twijfel zijn er in de USA
zulke overwinsten, want er is Amerikaans kapitaal in het
buitenland belegd om winst af te werpen. Deze vormen echter
slechts een zeer klein deel van de winsten der Amerikaanse
bourgeoisie. Zij kunnen er dus niet de oorzaak van zijn dat er
in organisaties met meer dan 17 miljoen loontrekkenden een
vakbondsbureaucratie is. Het huidige Frankrijk heeft vrijwel
geen koloniën meer en ontvangt slechts weinig winsten uit zijn
oude gebieden. Niettemin is de verbureaucratisering van de
Franse arbeidersbeweging nauwelijks verminderd.
b De tweede reden is nog
overtuigender: wij kennen tegenwoordig de economische
werkelijkheid bij de arbeiders in de hele wereld beter. De
eigenlijke arbeidersaristocratie bestaat niet meer uit
bepaalde lagen van het proletariaat van de imperialistische
landen tegenover andere lagen van dit proletariaat, maar veeleer
uit het geheel van het proletariaat van de imperialistische
landen tegenover dat van de koloniale en halfkoloniale landen.
De verhouding tussen het loon van een zwarte arbeider in
Zuid-Afrika en dat van een Engelse arbeider is een op tien.
Tussen twee Engelse arbeiders is de verhouding een tot twee of
maximaal tweeënhalf. [7] Het
is volkomen duidelijk dat in het eerste geval het verschil veel
groter is dan in het tweede.
Overigens is juist de
imperialistische uitbuiting de oorzaak van dit enorme verschil
van de lonen op wereldschaal tussen de imperialistische en de
onderontwikkelde landen. Deze kloof is ongetwijfeld veel
belangrijker dan de corruptie van bepaalde lagen van het
proletariaat in een imperialistisch land, zodat dit punt nog
slechts weinig betekenis heeft. Men moet zeer voorzichtig zijn
met het door Lenin gebruikte begrip arbeidersaristocratie.
Beziet men de geschiedenis van de arbeidersbeweging, dan blijken
de in de klassieke zin als arbeidersaristocratie
aangeduide lagen zeer vaak de voorhoede gevormd te
hebben bij de doorbraak van de communistische beweging. In
Duitsland werd de communistische beweging in het begin van de
jaren twintig een massabeweging omdat zij de metaalarbeiders, de
bestbetaalde laag van de Duitse arbeidersklasse, voor zich won.
Voor Frankrijk geldt dit ook. In 1935 viel de ontwikkeling van
de arbeidersbeweging samen met het winnen van de arbeiders van
de grote ondernemingen waar de lonen het hoogst waren (de
arbeiders van Renault, in tegenstelling tot de textielarbeiders
van het Noorden die tot op de huidige dag sociaal-democratisch
zijn gebleven).
Voorzichtigheid is geboden bij
het gebruik van het begrip arbeidersaristocratie. Vóór
alles moet men de nadruk er op leggen dat Lenin het verschijnsel
van de verbureaucratisering opvatte als een toenemende symbiose
(= het samenleven van twee ongelijksoortige organismen tot
wederzijds voordeel) tussen de vakbondsbureaucratie en de
burgerlijke staat.
De trotskistische theorie
van de ontaarding van de sovjetarbeidersstaat
De zesde fase van de bewuste
benadering van het probleem van de verbureaucratisering wordt
gevormd door de theorie van Trotski en de Linkse Oppositie over
de ontaarding van de Sovjetarbeidersstaat en de
overgangsmaatschappij tussen kapitalisme en socialisme.
De wezenlijke bijdrage van
Trotski bestond erin dat de theorie van de verbureaucratisering
van de arbeidersorganisaties in uitgebreide en samenhangende
vorm werd overgebracht op de bureaucratie van de arbeiderstaten.
a Eén aspect van de
trotskistische opvatting van dit verschijnsel moet men in het
bijzonder onderstrepen [8].
Trotski nam al de onvermijdelijke objectieve oorzaken [9]
van een zekere verbureaucratisering van de sovjetstaat en van de
bolsjewistische partij door een bepaalde bureaucratische
misvorming in aanmerking. Toch begreep hij dat de
ontaarding, het overwoekeren van deze misvorming,
geenszins onvermijdelijk was. Men had haar kunnen en moeten
bestrijden door een bewuste strijd van de bolsjewistische
partij. De meerderheid van de leiding van deze partij heeft het
verschijnsel van de bureaucratie in beslissende ogenblikken niet
onderkend. Dit is de historische tragedie van de Sovjet-Unie.
Wanneer dit verschijnsel
vroeger, op een tijdstip waarop men er nog op had kunnen
reageren (in de jaren 1922-1923), duidelijk onderkend zou zijn,
dan had de geschiedenis een andere loop kunnen nemen. De
industrialisatie had vroeger, met veel minder kosten begonnen
kunnen worden; het proletariaat had getalsmatig sterker kunnen
zijn; de proletarische democratie had stap voor stap uitgebreid
kunnen worden; de internationale revolutie had in een reeks van
landen (Duitsland, China, Spanje) kunnen zegevieren. [10]
Laat men dat alles buiten beschouwing en beschouwt men het hele
proces als van tevoren bepaald en onvermijdelijk, dan begrijpt
men de zin van de strijd der Linkse Oppositie tegen de opkomst
van het stalinisme niet meer.
b Een ander zeer belangrijk
aspect van de theorie van Trotski over de verbureaucratisering
van de sovjet arbeidersstaat ligt in haar stellingname in de
problemen van de industrialisatie, de planning en het
arbeiderszelfbeheer. In het begin van de twintig vond het eerste
grote conflict plaats tussen een tendens en de leiding van de
bolsjewistische partij (toen nog onder leiding van Lenin en
Trotski). Het gaat om het conflict met de door Sjljapnikow en
Kollontai geleide Arbeidersoppositie. Velen die tot
deze tendens behoren, beweren tegenwoordig dat er geen
verbureaucratisering zou zijn geweest als deze opvatting
gewonnen had. [11]
Dat is absoluut onjuist en wat
Trotski hier toen over zei, behoudt volledig zijn geldigheid.
Men moet zich slechts concreet voortstellen hoe de
sovjetfabrieken er in 1921 uitzagen. Deze voor driekwart lege
fabrieken, waarin nog slechts een klein deel werkte van de
arbeiders die in 1917 aan de revolutie meegedaan hadden,
produceerden bijna niets meer. In deze catastrofale toestand
waren zij helemaal niet in staat zich te verweren tegen het
economische proces dat in het land de overhand had. De
warenproductie bloeide weer op door de ruilhandel tussen de
steeds sterker wordende individuele boeren en buitengewoon
zwakke industrie-eilanden. Wie gelooft dat onder deze
omstandigheden en met dit soort fabrieken de overdracht van de
macht aan het handje vol hier nog werkende arbeiders, het
probleem van de bureaucratie kan oplossen, is klaarblijkelijk
van mening dat het zelfbeheer het geneesmiddel voor alle
problemen is. Dat betekent echter dat men de basisproblemen die
opgelost moeten worden niet begrepen heeft. Voordat de
arbeidersklasse haar fabrieken kan beheren, moeten die fabrieken
eerst weer functioneren. Dat de arbeidersklasse de staat kan
leiden moet zij eerst sterk genoeg zijn, mag zij niet in
meerderheid werkloos zijn. Voordat zij een minimum aan politieke
activiteit in de staatsleiding kan vervullen en zich feitelijk
met deze taak bezighouden, moet zij een volle maag en een
minimum aan vrije tijd hebben. De geest van de arbeidersklasse
moet dus (minstens ten dele) vrij zijn van materiële en
bureaucratische kwellingen. Een minimum aan ontwikkelde
productiekrachten en arbeidersdemocratie moet beschikbaar zijn
om de strijd tegen de verbureaucratisering überhaupt te kunnen
voeren. [12]
Trotski heeft dit heel goed
door gehad. Ofschoon hij, ten onrechte, het institutionele
aspect van het probleem onderschatte, zag hij het fundamentele
aspect volkomen duidelijk. Wezenlijk was in dit tijdperk de
industrialisatie zo ver mogelijk door te voeren, het
proletariaat getalsmatig te versterken, de tendens tot privé-accumulatie
en tot ontwikkeling van de warenproductie te bestrijden, te
bereiken dat de massa goed gevoed werd en voor allen de
arbeidersdemocratie en politieke democratie zo uit te breiden
dat de massa een steeds groter wordende rol in economie en staat
kunnen spelen.
Al het andere is slechts
democratisch geklets, papieren wijsheid en ongeschikt voor de
werkelijke uitoefening van de macht. Een in getal en in
activiteit sterk verzwakte arbeidersklasse die te kampen heeft
met materiële zorgen en vervolgd wordt door een politiek steeds
meer opdringende bureaucratie, kan de macht niet uitoefenen.
De Cubaanse revolutie
De zevende en laatste etappe
van de bewuste benadering door de arbeidersbeweging van het
probleem der bureaucratie vond plaats in de Cubaanse revolutie.
Men kan niet zeggen dat de Cubaanse leiders (vooral Fidel Castro
en Che Guevara) zich volkomen spontaan van dit probleem bewust
waren. Hiermee maakt men de Cubaanse revolutie een nog groter
compliment dan zij toch al verdient. Men kan ook niet zeggen dat
de onderkenning van dit probleem uitsluitend het resultaat
geweest is van het concrete experiment van hun eigen revolutie.
Dat zou namelijk betekenen dat de Cubanen autonoom,
onafhankelijk van de gehele historische ervaring van de
arbeidersbeweging, een wezenlijk hoofdstuk van het marxisme
opnieuw ontdekt hebben.
Men kan aannemen dat de Cubanen
het probleem goed bestudeerd hebben, ook de teksten die de
trotskistische beweging sinds tientallen jaren langer over
gepubliceerd heeft. Hun ervaringen vielen samen met de
historische verworvenheden van de arbeidersbeweging. Dat heeft
hen geholpen een reeks fundamentele punten zeer duidelijk te
formuleren.
In het bijzonder hebben zij een
belangrijke les getrokken uit de verbureaucratisering van de
USSR en van de andere arbeidersstaten. Zij gebruikte daarbij
formuleringen die de door de trotskistische beweging sinds vele
jaren gebruikte formuleringen benaderen.
De belangrijkste door de
Cubanen op de bureaucratie toegepaste tot formuleringen vindt
men in meerdere redevoeringen van Fidel:
- de drie redevoeringen tegen
Escalante [13] die zich
keren tegen de stalinistische bureaucratie in de Cubaanse
arbeidsstaat;
- de redevoering van Fidel van
1 januari 1965 die de massa onomwonden oproept tot de
anti-bureaucratische strijd [14].
In de tekst van deze
redevoeringen ontwikkelt Fidel enkele basisopvattingen:
a Na de overwinning van de
Cubaanse revolutie bedreigen twee gevaren het proletariaat:
- de imperialistische
contrarevolutie;
- de gevaren van de
verbureaucratisering.
Het is fantastisch dat Fidel zo
helder een positie inneemt, die tot nu toe slechts door de
trotskistische beweging ingenomen werd. Fidel voegde er zelfs
aan toe, dat van deze beide gevaren het bureaucratische gevaar
het grootste was, daar het in arglistige vorm verschijnt onder
het masker van de revolutie die het van binnenuit dreigt te
verlammen.
b In zijn vastberaden oppositie
tegen de stalinistische en na-stalinistische methoden benadrukt
Fidel, dat de objectieve basis van de bureaucratie gevormd wordt
door de aanwezigheid van een groep bevoorrechten. Hij gebruikt
niet het woord kaste zoals dat door de trotskistische
beweging toegepast wordt op de USSR en de andere
arbeidersstaten. Maar de uitdrukking groep bevoorrechte
lieden toont duidelijk dat hij de beslissende rol van
voorrechten bij de vorming van de bureaucratie volkomen begrepen
heeft. [15]
De zegevierende Cubaanse
revolutie deed, na de Chinese en Joegoslavische revolutie, een
stap voorwaarts in het begrijpen van de verbureaucratisering.
Hiermee leverde het een grote bijdrage aan de strijd tegen de
bureaucratische ontaarding. Zij bevestigde opnieuw dat de enige
werkelijke wapens tegen de bureaucratie uiteindelijk de
politisering en mobilisatie van de massa is, wat echter alleen
in het perspectief van de ontwikkeling der internationale
revolutie kan geschieden.
3
De bureaucratie in de arbeidersstaten
Onderzoekt men de moeilijkheden
waarop de marxisten stoten in de analyse van de huidige
maatschappij van Oost-Europa, en wel onafhankelijk van wat er
gebeurd is in de Sovjet-Unie na de overwinning van Stalin en wat
tegenwoordig gebeurt in alle bureaucratisch misvormde en
ontaarde arbeidersstaten, dan komt men tot de volgende
fundamentele vaststelling. Wij bezitten geen van tevoren
vastgelegd theoretisch concept hoe de overgangsmaatschappij van
kapitalisme naar socialisme er zou kunnen uit zien. We kennen de
opvattingen van Marx over het socialisme. Hoe moeilijk het ook
is om nauwkeurig te definiëren wat een socialistische
maatschappij is, we weten toch heel goed wat zij niet is. Voor
iedere serieuze marxist is het overduidelijk dat het socialisme
tegenwoordig in de Sovjet-Unie noch in welke andere
arbeidersstaat ook verwezenlijkt is.
Dat lost natuurlijk nog geen
enkel probleem op. Tussen de volledig ontwikkelde socialistische
maatschappij en kapitalistische maatschappij is er namelijk een
overgansmaatschappij van kapitalisme naar socialisme, waarvan de
onvermijdelijkheid door alle marxisten (te beginnen Marx tot
Lenin en Trotski) erkend werd. Aangezien wij geen volledige
theoretische opvattingen over deze overgangsmaatschappij
bezitten, is het buitengewoon moeilijk om bij de in de
arbeidersstaten optredende economische en maatschappelijke
verschijnselen onderscheid te maken tussen wat berust op
bureaucratische ontaarding en dat wat zonder meer onvermijdelijk
is.
Talrijke burgerlijke,
sociaal-democratische en ultralinkse ideologen zijn eenparig van
mening dat het in stand blijven van de warencategorieën (geld,
waar, handel) in de Sovjet-Unie automatisch het bestaan van het
kapitalisme in dit land met zich brengt. De wareneconomie zou
volgens hen slechts in een kapitalistisch systeem kunnen
bestaan. Dit is grove misvatting. Als Marx en de marxisten
beweren dat een socialistische maatschappij gekenmerkt wordt
door het volledige verdwijnen van de warencategorieën, dan
hebben ze daarmee gezegd dat de vernietiging van het kapitalisme
ook het plotselinge en onmiddellijke verdwijnen van al categorieën
in de overgangsmaatschappij met zich mee zou brengen. Stelt men
dus vandaag het bestaan van deze wareneconomie in de Sovjet-Unie
vast, dan mag men daaruit volstrekt niet afleiden dat in dit
land het kapitalisme bestaat. Deze vaststelling bevestigt
slechts dat het socialisme er niet verwezenlijkt is. In iedere
overgangsmaatschappij van kapitalisme naar socialisme zullen
zulke warencategorieën steeds, minsstens gedeeltelijk, blijven
bestaan.
Op dezelfde manier wordt in
bepaalde anarchistische stellingen (die Lenin in Staat en
Revolutie behandelde) beweerd dat het bewijs voor het
kapitalisme of de uitbuitingsmaatschappij in de Sovjet-Unie ligt
in het bestaan van de staat als instrument in de strijd tussen
de klassen. Het probleem ligt volkomen in dezelfde lijn: als de
marxisten beweren dat het bestaan van de staat gebonden is aan
het bestaan van maatschappelijke klassen en maatschappelijke
conflicten tussen deze klassen, dan bewijst het bestaan van die
staat nog in het geheel niet dat daar kapitalisme voorkomt. In
de overgangsmaatschappij is deze staat (in de vorm van de
dictatuur van het proletariaat) integendeel onmisbaar voor de
opbouw van het socialisme. Deze beide voorbeelden tonen aan dat
men verregaand moet abstraheren van de historische
eigenaardigheden van de arbeidersstaten, als men algemeen op het
probleem van de overgangsmaatschappij wil ingaan.
De algemene problematiek van
de overgangsmaatschappijen
Economisch gezien wordt een
overgangsmaatschappij van kapitalisme naar socialisme
fundamenteel bepaald door: de opheffing van het kapitalistische
privé-eigendom van de productiemiddelen, de collectieve
toe-eigening van de belangrijke productiemiddelen (industrie,
transport, financiële instellingen enz.) en van het monopolie
van de buitenlandse handel, naast de invoering van
socialistische planning in de economie.
Dit betekent dat er een
fundamentele tegenstelling bestaat tussen de productiewijze, die
duidelijk niet meer kapitalistisch is, en de vorm van verdeling,
die burgerlijk blijft. Marx heeft in de Kritiek op het
program van Gotha uitvoerig het feit geanalyseerd dat de
maatschappelijke ongelijkheid, die in de hele overgangfase en
zelfs in de eerste fase van het socialisme blijft bestaan, de
uitdrukking is voor het voortbestaan van burgerlijke
verdelingsnormen (materieel belang, streven naar een hoger
geldinkomen, fundamentele ongelijkheid bij de verdeling van
consumptiegoederen) die karakteristiek zijn voor de
kapitalistische maatschappij [16].
Deze wezenlijke
tegenstrijdigheid in iedere overgangsmaatschappij is gebaseerd
op het feit dat de productiewijze een voorsprong heeft op de
ontwikkeling van de productiekrachten. De socialistische
productiewijze heeft voor haar volledige ontplooiing, een
ontwikkelingsgraad van de productiekrachten nodig, die het
mogelijk maakt de normen voor de verdeling van de waren dankzij
de voortgebrachte overvloed af te schaffen. Overvloed maakt
verdelingsnormen onzinnig. Zelfs in de meest ontwikkelde
kapitalistische landen kan men niet zeggen dat de
productiekrachten reeds zo ver ontwikkeld zijn, dat zij bij de
overwinning van het socialisme onmiddellijk zo een overvloed
zouden kunnen garanderen.
De historische taak van de
overgangsmaatschappij is daarom tweeledig. Zij moet door
zelfopvoeding van de massa, en in tweede instantie door geweld
de uit de verdeling in klassen en uit de geldeconomie
voortkomende ideologische overblijfselen van lieverlede
vernietigen. Tegelijkertijd moet zij een enorme ontwikkeling van
de productiekrachten tot stand brengen, die pas de volledige
ontplooiing van het socialisme mogelijk zal maken.
De noodzaak, deze beide taken
gelijktijdig te verwezenlijken, vormt de bron van de problemen
en tegenstrijdigheden die karakteristiek zijn voor dit
historische tijdperk. Hieruit komt voort:
- het voortbestaan der
warencategorieën en hun geleidelijke afsterven tot aan hun
volledig verdwijnen;
- het voortbestaan van een
zekere scheiding der maatschappij in klassen (proletariaat
en boeren), die eveneens begint te verdwijnen;
- de noodzaak van een staat
als uitdrukking van de dictatuur van het proletariaat. De
staat sterft geleidelijk af en beperkt zich ertoe de oude
bezittende klassen te verhinderen de macht te heroveren.
Tegelijkertijd regelt de staat het dagelijks economische
leven zo, dat de socialistische accumulatie verzekerd wordt,
zonder deze accumulatie is de opbouw van de nieuwe
maatschappij onmogelijk. Het tempo waarin de staat afsterft,
is niet alleen afhankelijk van maatschappelijke
tegenstellingen in het binnenland, maar ook van de
internationale krachtsverhoudingen.
Het afsterven van de staat gaat
samen met bepaalde noodzakelijke vormen van dwang bij
economische processen en dus ook, dat is wel het moeilijkst te
aanvaarden punt, door bepaalde onvermijdelijke bureaucratische
uitwassen. Men kan zich slechts voorstellen dat zulke
bureaucratische uitwassen volledig afwezig zouden zijn, als men
aanneemt dat het proletariaat als geheel meteen na de
machtsgreep in staat is in collectieve vorm alle niveaus van het
maatschappelijke leven te beheren. Maar dat is helaas
onmogelijk. Wie dit niet begrijpt, maakt het kapitalisme
eigenlijk een geweldig compliment, omdat hij dan veronderstelt
dat het kapitalisme het proletariaat een zo hoge graad van
rijpheid verschaft. In werkelijkheid vervreemdt het kapitalisme,
dat aan het overgangstijdperk voorafgaat, de arbeiders op alle
terreinen. Het onderwerpt hen aan een werkdag van acht, negen of
tien uur van productieve arbeid zonder hen de mogelijkheid te
geven zich bezig te houden met hun maatschappelijke
ontwikkeling. Het heeft hen niet verheven tot een peil waarop
zij meteen zouden kunnen overgaan tot een volledig zelfbeheer
van de maatschappij. Zolang de werkdag niet kort genoeg is,
bestaan niet eens de meest elementaire materiële voorwaarden
voor een volledig beheer van de maatschappij door de
producenten. Vormen van delegatie van macht zijn dan
onvermijdelijk en dat brengt bureaucratische tendenties met zich
mee. De ideale dynamiek van de overgangsmaatschappij bestaat er
juist in een ontwikkelingsritme van de productiekrachten te
vinden dat, zonder de tegenstand uit te lokken van de nieuwe
maatschappelijke instellingen, het stapsgewijze en voortgaande
afsterven toelaat van alle overgebleven negatieve aspecten.
Men kan dus de vraag van de
analyse der situatie in de bureaucratisch misvormde of ontaarde
arbeiderstaten nog anders stellen. Onafhankelijk van de
bijzondere historische omstandigheden die het stalinisme
voortgebracht hebben, is het na een vijftigjarige ontwikkeling
van de Sovjet-Unie verschrikkelijk om vast te stellen, dat het
afsterven tot nu toe nergens begonnen is. Alle onvermijdelijke
overblijfsels van het kapitalisme sterven niet af, maar neigen
ertoe zich geleidelijk aan te versterken:
- De staat versterkt zich en
wordt meer en meer alom tegenwoordig;
- De wareneconomie en de
maatschappelijke ongelijkheid blijven bestaan of worden
sterker;
- De bureaucratische
misvorming krijgt een blijvend karakter. Ze neemt de meest
extreme vormen aan: een volledige politieke onteigening van
de arbeiders in het beheer van de staat en zelfs van de
economie.
Stelt men het probleem op deze
manier, dan kan men de structuur onderzoeken in plaats van de
verschijningsvorm van het probleem der bureaucratische
ontaarding in de Sovjetunie. Men moet uitgaan van haar
historische oorsprong, haar verloop en haar innerlijke
ontwikkelings logica.
Oorsprong van de
bureaucratische ontaarding in de arbeidersstaten
Het onvermijdelijke karakter
van de bureaucratische misvormingen in de overgangsmaatschappij
laat zich in laatste instantie terugvoeren op twee fundamentele
historische factoren:
- het onvoldoende
ontwikkelingsniveau van de productiekrachten.
- de overblijfsels van het
kapitalisme.
Bij deze beide onvermijdelijke
historische factoren hebben zich echter in de geschiedenis van
de landen waar het kapitalistische regiem werd vernietigd, twee
andere factoren gevoegd die de basis vormen voor de
stalinistische ontaarding:
a Niet alleen was het peil der
productiekrachten onvoldoende om snel voor de overvloed te
zorgen, maar ook het ontwikkelingspeil van deze
productiekrachten was veel lager dan dat van de industriële
kapitalistische landen. De overgangsmaatschappij moest niet
alleen de taken van socialistische accumulatie vervullen, maar
ook die van de oorspronkelijke accumulatie en allereerst die van
de industrialisatie. [17]
Uit dit door Marx en de
marxisten niet voorziene feit, namelijk de overwinning van de
revolutie in een achtergebleven land, terwijl alle omwikkelde
landen tijden lang onder kapitalistische heerschappij bleven, is
een reeks van noodlottige consequenties in de geschiedenis van
de laatste vijftig jaar voortgevloeid.
b De eerste socialistische
revolutie heeft gezegevierd in een achtergebleven land dat
volledig omgeven was door industrieel hoogontwikkelde landen
waarin het kapitalisme bleef voortbestaan. Alle marxisten hadden
verwacht dat de socialistische revolutie, al zou zij niet
onmiddellijk in de hele wereld zegevieren, zij toch in de hoogst
ontwikkelde landen zou beginnen. Wat buiten het revolutionaire
proces bleef, kon een aantrekkende noch een afstotende
uitwerking hebben. Zij dachten niet aan de afstotende vorm van
een militaire agressie en ook niet aan de verleiding van een
hoger ontwikkelingspeil in de kapitalistische landen voor
socia1istische burgers.
De geïsoleerde weg van de
socialistische revolutie in een achtergebleven land had
daarentegen twee negatieve gevolgen:
- De noodzaak zich te
verdedigen en een aanzienlijk deel van het nationale inkomen
te verspillen aan de bewapening tegen een imperialistische
agressie;
- de aantrekkingskracht van
een hoger levenspeil in de aangrenzende kapitalistische
landen op een aanzienlijk deel van de bevolking.
Bij twee voor iedere
overgangsmaatschappij voorspelbare en normale oorzaken hebben
zich in het uiteindelijke resultaat twee andere en niet
voorspelde historische oorzaken gevoegd, die de oorsprong vormen
van de bureaucratische ontaarding.
Hierin ligt de fundamentele
historische en ontstaans-historische verklaring voor de
ontwikkeling van de Sovjet-Unie in deze periode: geen enkele
leider van de bolsjewistische partij had klaarblijkelijk tussen
1919 en 1927 deze ontwikkeling voorspeld. Intussen begrepen
Trotski en vooral Lenin, evenals talrijke leiders op
verschillende tijdstippen in hun leven dat het isolement van de
socialistische revolutie in een achtergebleven land een hele
reeks van door de marxistische theorie niet voorziene gevaren
met zich mee zou brengen.
Wanneer men historisch het
ontstaan van de totalitaire macht der Sovjetbureaucratie wil
begrijpen, dan mag men deze niet beschouwen als het resultaat
van een samenzwering [18],
doch ook niet als het automatische resultaat van een bepaalde
socio-economische structuur. Om dit proces te begrijpen moet men
tussen deze beide een noodzakelijke verbinding zien: de
toenemende politieke passiviteit van het Sovjetproletariaat in
de loop van de jaren twintig. Dit is de beslissende schakel om
te begrijpen hoe men van een situatie van intensieve politieke
en economische activiteit van het Sovjetproletariaat in het jaar
1917 gekomen is tot de volledige politieke onteigening ervan 10
of 15 jaar later. Deze politieke passiviteit laat zich verklaren
door een groot aantal historische factoren:
- een deel van de
arbeidersvoorhoede sneuvelde in de burgeroorlog;
- teleurstelling tengevolge
van het mislukken van de wereldrevolutie;
- de honger en de algemene
ellende die alle energie opeisten voor het overwinnen van de
dagelijkse individuele problemen;
- de verzwakking van de
institutionele structuren die de politieke activiteit van
het proletariaat bevorderden.
Trotski en de Linkse Oppositie
knoopten trouwens in 1923 bij het laatste punt aan, als zij
poogden het probleem op te lossen. Zonder zich illusies te maken
pleitten zij voor een binnenlandse, economische en
internationale politiek die objectief en subjectief een
hernieuwde politieke activiteit van het sovjetproletariaat
bevordert. Hun voorstellen waren erop gericht na een geslaagde
verdere ontwikkeling van de productiekrachten weer een klimaat
te scheppen dat vergeleken kan worden met dat van de eerste
jaren van de revolutie, waarin het radensysteem werkelijk zou
functioneren en de bedrijven feitelijk door het proletariaat
geleid zouden worden.
Deze strategie van de Linkse
Oppositie sloot volledig aan bij de marxistische analyse van de
toenmalige situatie. Er werd rekening gehouden met de gevaren
van een bureaucratische dictatuur, zoals Lenin dat vanaf 1920
had gedaan. Hoewel het politiek geschoolde en beproefde vaders
waren, erkende de meerderheid van de bolsjewistische partij de
juistheid van deze voorstellen helaas niet. Dit dramatische
verschijnsel van het tekort schietende ideologische begrip komt
jammer genoeg vaak voor in de geschiedenis van de
arbeidersbeweging. [19] De
meeste leiders van de bolsjewistische partij hebben uiteindelijk
in de jaren 1923 tot 1936, het verderfelijke karakter van de
bureaucratische macht begrepen. Werkelijk tragisch is dat zij
niet alleen op het zelfde tijdstip en niet te rechter tijd
hebben begrepen. Het feit dat zij het gevaar niet te rechter
tijd zagen en zich lieten meesleuren in de fractiestrijd waarvan
zij de historische betekenis niet herkenden, heeft de
ononderbroken voortgang van dit degeneratieproces mogelijk
gemaakt.
Men kan zich niet met deze
verklaring alleen tevreden stellen, anders vervalt men licht tot
subjectivisme. Men moet ook zoeken naar de historische
grondslagen van dit tragische gebrek aan begrip. Het apparaat
van de bolsjewistische partij is het onbewuste instrument van
een bureaucratische maatschappelijke laag geworden, daar het
zelf begon te verbureaucratiseren. Het partijapparaat dat in het
staatsapparaat werd opgenomen en zich daarmee vergaand
identificeerde, had zelf de eerste fasen van de bureaucratische
ontaarding al doorgemaakt. Het partijapparaat was dan ook niet
in staat een proces te bestrijden waaraan het gedeeltelijk
handelend meewerkte. Dat ging immers juist in tegen zijn
ideologische en materiële belangen.
Men kan, zoals vele marxisten,
van Souvarine tot Deutscher dat deden, achter af de historische
onvermijdelijkheid van de overwinning van Stalin of de tactische
fouten van Trotski breed uitmeten. [20]
Belangrijk is dat een reeks institutionele fouten van de
bolsjewistische partij, dit proces van identificatie |